Standaardonderdeel bij een Natuurtoets met betrekking tot gebouwen is het onderzoek naar huismussen. Ook in andere onderzoeken kan de Huismus relevant zijn, bijvoorbeeld als het gaat om leefgebied in de omgeving van (potentiële) huismusnesten.

Het huismussenonderzoek wordt conform het Kennisdocument Huismus van BIJ12 (2017) uitgevoerd. Wanneer hiervan wordt afgeweken, wordt dit gemotiveerd. Belangrijk in de systematiek van het Kennisdocument is de aan- of afwezigheid van huismussen die moet worden bepaald. Wanneer blijkt dat er geen huismussen aanwezig zijn, is er geen ontheffing nodig voor het verstoren van jaarrond beschermde nesten. Wanneer blijkt dat huismussen wel aanwezig zijn, en de voorgenomen activiteiten verstorend zijn, is een ontheffing nodig. De vraag naar aan- of afwezigheid is in deze fase kwalitatief: ja of nee.

Quickscan: wel of geen nader onderzoek Huismus

Als op voorhand duidelijk is dat de Huismus niet te verwachten is of als de ingreep van die aard is dat er geen overtreding van verbodsbepalingen plaatsvinden, kan van nader onderzoek worden afgezien. Het Kennisdocument noemt de best beschikbare verspreidingsgegevens als mogelijke basis voor deze verwachting, maar in de praktijk zijn verspreidingsgegevens (bijna) altijd niet bruikbaar vanwege de onvolledigheid ervan. Dit vooronderzoek maakt deel uit van een quickscan. Het Kennisdocument zegt dat er bij twijfel een quickscan moet plaatsvinden, maar in de praktijk is de quickscan het beslismoment om te bepalen of er wel of geen nader onderzoek moet worden geadviseerd. Het is essentieel dat er uitsluitsel komt over de aan- of afwezigheid van de Huismus.

Bij een quickscan buiten de broedperiode kan moeilijk uitsluitsel worden verkregen en als hieruit blijkt dat de Huismus redelijkerwijs aanwezig kan zijn, wordt nader inventarisatieonderzoek in de juiste periode geadviseerd. Er wordt vastgesteld of er nestgelegenheid en geschikt habitat voor de Huismus aanwezig is. Aan de hand van de kenmerken van de locatie kan de potentiële aanwezigheid van de huismus en functies van het plangebied worden ingeschat.

Quickscan tijdens de broedperiode

Bij een quickscan tijdens de broedperiode kan vaak wel degelijk uitsluitsel verkregen worden over de aanwezigheid van de Huismus. Het Kennisdocument noemt de volgende bewijzen:

  • een nestindicatieve waarneming (een nest of nestbouw of bezoek van een huismus aan een waarschijnlijke nestplaats. Het nest zelf is vaak niet zichtbaar, maar grassprieten of veertjes steken uit; of transport van voedsel of ontlastingpakketjes of bedelende jongen in een nest. Vlak voor het uitvliegen zijn de jongen goed te horen en steken hun kopjes uit de nestopening. Met dergelijke waarnemingen zijn nestlocaties op de precisie van dakpan- of balkniveau aan te tonen.
  • een waarneming in potentieel broedbiotoop. Minimaal één waarneming in potentieel broedbiotoop in de periode 1 april tot en met 20 juni van een zingend mannetje (veelal vanaf een hoge plaats zoals een dakgoot) of een paartje bij een potentiële nestplaats of balts, paring of ander gedrag (figuur 8) waar uit geconcludeerd kan worden dat er nesten aanwezig moeten zijn. Ook hiermee kan worden aangetoond dat er een nest aanwezig is, maar vaak zal de exacte nestlocatie niet bekend zijn.

  • Figuur 1. Mussenman in broedbiotoop met de nestopening tussen de nokbalk en de daklijsten


    Het Kennisdocument noemt nog een type bewijs voor aanwezigheid dat ik soms inzet:

  • waarneming van nesten door dakpannen te lichten; toepasbaar buiten de broedperiode, dat wil zeggen van 15 september tot 1 maart; let op, oude nesten worden gemakkelijk verward met recente nesten. Met dakpannen lichten loop je het risico om bijvoorbeeld vleermuizen te verstoren of te verwonden. Ook is de vraag hoeveel dakpannen je moet lichten om uitsluitsel te hebben over de aanwezigheid. In sommige overzichtelijke situaties kan het, maar vaak valt dit onder de twijfel die noodzaakt tot een nader onderzoek in de juiste periode.

  • Afwezigheid aantonen

    Terwijl met één bezoek de aanwezigheid van de Huismus kan worden aangetoond, vergt het aantonen van de afwezigheid van de Huismus twee tot vier bezoeken. Het Kennisdocument biedt twee methoden voor het aannemen van de afwezigheid van broedende huismussen:

    1. Aangenomen kan worden dat er geen broedende huismussen aanwezig zijn als er tijdens twee gerichte veldbezoeken in de periode 1 april tot en met 15 mei geen aanwezigheid kan worden aangetoond. De onderzoeksinspanning ligt logischerwijs hoger dan voor het aantonen van de aanwezigheid. Men kan bij het eerste bezoek de aanwezigheid missen en moet daarom een tweede bezoek brengen. In deze periode vindt het eerste broedsel van de Huismus plaats. Er kunnen nog een tweede en een derde broedsel volgen, maar wie pas na half mei gaat tellen, komt redelijkerwijs op een lager aantal nesten uit. Toch zijn er mussen die om wat voor reden dan ook pas na half mei op een locatie broeden. Dat mis je bij deze methode, maar je accepteert dat omdat de methode een afweging is tussen onderzoeksbelang en inspanning en het aandeel dat je mist, zal gering, zo niet verwaarloosbaar zijn.


    2. Je mag ook vier veldbezoeken doen in een ruimere periode: vier gerichte veldbezoeken in de periode 10 maart tot en met 20 juni waarbij geen aanwezigheid kan worden aangetoond. Dit is strenger dan het protocol van het Netwerk Groene Bureaus (NGB) dat twee bezoeken voorschrijft in de periode 1 april tot 20 juni. In theorie zou je de tweede methode kunnen gebruiken als je te laat bent voor de eerste methode. Dan zou je met vier bezoeken na 15 mei nog aan het onderzoeksprotocol kunnen voldoen. Logischerwijs zouden de vier bezoeken tenminste twee bezoeken in de periode 1 april tot en met 15 mei omvatten. De tweede methode heeft dan de voorkeur voor gebieden die gemiddeld groter zijn dan de eerste methode.

    Gezien de schaal waarop ik vaak werk (boerderijen, individuele woonpercelen) hanteer ik bijna altijd de eerste methode. Wanneer bij een quickscan tijdens de broedperiode de Huismus niet is aangetroffen, maar er twijfel is, adviseer ik één of meer aanvullende bezoeken op basis van bovenstaande methoden om alsnog uitsluitsel te verkrijgen over aan- en afwezigheid.


    Omvang populatie

    Behalve het bepalen van de aanwezigheid van nesten, is ook de kwantiteit van belang. Elk nest dat verloren gaat, moet in principe worden gecompenseerd. Duidelijk is dat meer onderzoeksinspanning in principe tot het vaststellen van meer nesten kan leiden. Over de benodigde inspanning zegt het Kennisdocument: deze is sterk afhankelijk van het gebied, de ervaring van de waarnemer, de gebruikte methodiek en het moment in het jaar dat de inventarisatie plaatsvindt. Bij het inventariseren moet gelet worden op de habitatkenmerken waarvan de Huismus afhankelijk is, om zo de meest kansrijke plekken voor aantreffen te bepalen. Afhankelijk van de situatie moet worden bekeken welke methode het meest effectief is.

    Het Kennisdocument beveelt aan om gebruik te maken van de aanwezigheidsprotocollen van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Voor de afwezigheid van de Huismus voegt het NGB-protocol zoals besproken, niets toe voor de benodigde onderzoeksinspanning, behalve dat men 1 april aanhoudt ten opzichte van 10 maart in de tweede methode uit het Kennisdocument. Wat betreft de aanwezigheid zal ook na een eerste bezoek waarbij aanwezigheid wordt vastgesteld nog een tweede bezoek moeten volgen. Maar volgens het Kennisdocument is het niet verplicht om NGB-protocollen te gebruiken.

    Daarnaast geeft het Kennisdocument aan dat de inventarisatievoorschriften zoals die gehanteerd worden bij het Netwerk Ecologische Monitoring (NEM) zijn niet zonder meer bruikbaar omdat ze voor andere doeleinden zijn opgesteld. De BMP-methode valt hieronder en die heeft niet het doel om precieze nestlocaties op te sporen, hetgeen juist wel uitdrukkelijk het doel is bij onderzoek conform het Kennisdocument. Maar afgezien van dit verschil in doel zit er een zeer sterke overlap in methodiek, datumgrenzen, e.d. Terwijl in het plangebied het vinden van de nestlocaties essentieel is, kan de meer globale informatie op basis van de BMP-methode voldoende zijn om de populatie in de omgeving te schatten. Daarbij kan één bezoek in de juiste periode (10 maart t/m 20 juni) al een beeld geven van de minimale populatiegrootte van de Huismus in de omgeving (op basis van nestindicatieve waarnemingen, adult mannetjes in broedbiotoop, paren in broedbiotoop, zang en/of balts).

    Voor het bepalen van de populatie huismussen in de omgeving van het plangebied geeft het Kennisdocument aan dat het met de beschikbare gegevens uit bureaustudie ook mogelijk moet zijn om een indicatie van de omvang van de aanwezige populatie van de Huismus te krijgen. Dit betekent dat zeker voor de bepaling van het belang van het plangebied voor het grote geheel dat veldonderzoek minder belangrijk is dan voor het plangebied zelf. Het is daarom m.i. logisch om het plangebied intensief te onderzoeken en de omgeving meer globaal te beschouwen.

    Het belang van de grootte van het plan- en onderzoeksgebied

    Het Kennisdocument zwijgt over de grootte van het plangebied, maar de scope lijkt te liggen op gebieden met de omvang van woonwijken. Op die schaal is het inderdaad zinvol om onderscheid te maken tussen nestfuncties en andere functies. Bij onderzoek aan één of enkele gebouwen op een woonperceel of boerenerf kan men de essentiële functies van het groen rond de bebouwing aannemen als onderdeel van de functionele leefomgeving van het nest. Op een locatievan beperkte omvang treedt de onlosmakelijke samenhang van de diverse functies voor het succes van de nesten op de voorgrond.

    In gebieden van woonwijkschaal is op voorhand duidelijk dat er nesten gemist kunnen worden. Dat is alleen al het geval doordat de onderzoeker het gebied vanaf de openbare weg zal inventariseren en er dus een bepaalde mate van onoverzichtelijkheid is. Dit kan men ondervangen door meerdere bezoeken uit te voeren. Inventarisaties op dergelijke schaal zijn ook vanwege de doorlooptijd van de projecten en planvoorbereiding ruimschoots te plannen en een frequentie van vier bezoekrondes ligt dan in de lijn van het Kennisdocument. Ook dan zal men nog steeds nesten missen. Het Kennisdocument accepteert het missen van nesten ook als gevolg van het broeden van huismussen buiten de onderzoeksperiode met de volgende disclaimer: Overigens kan het daadwerkelijke broeden van de huismus ook al in de eerste helft van maart of nog tot en met augustus plaatsvinden, maar het exacte moment is afhankelijk van onder andere de weersomstandigheden. De onderzoeker zal zijn resultaten moeten interpreteren en inschatten of de gevonden aantallen reëel zijn en zo nodig een marge aanhouden voor nesten die gemist zijn.

    Bij projecten op de schaal van een woonperceel of boerenerf kan intensiever worden gezocht naar nesten. De opdrachtgever geeft het plangebied vrij voor onderzoek en alle buitengevels en daken kunnen in beschouwing worden genomen, alsmede alle overige structuurelementen. Het NGB-protocol noemt één uur onderzoek. Onduidelijk in dat protocol is of dat de totale onderzoeksduur is of de duur per bezoek. In elk geval is een uur een tijdsperiode waarin een goed beeld kan worden verkregen van de mussenpopulatie in een klein plangebied. Bij een woonhuis met tuin en zonder (hobby)dieren zijn bij aanwezigheid in de orde van 1-3 huismussennesten te verwachten en deze zijn in de regel in één uur wel gevonden.

    Bij een boerderij met bijvoorbeeld melkvee is dat lastiger. Het kan dan gaan om tientallen mussen die zich deels wel en deels niet buiten de gebouwen bevinden. De grote populaties op deze boerderijen hangen samen met de continue aanwezigheid van plantaardig voer en, samenhangend met de mest, grote aantallen insecten die van belang zijn voor het voeden van de jongen. De vaak open stallen en schuren vormen beschutting tegen weer en predatoren. Op het erf zijn vaak ruigtes aanwezig met weer andere voedselbronnen. Het betekent dat zowel nesten als voedselbronnen op een relatief klein oppervlak geconcentreerd zijn. Bij een schatting van het aantal nesten wordt het aantal aanwezige mannetjes en vrouwtjesmussen op verschillende momenten geteld om het totaal van de aanwezige mussen te kunnen achterhalen. Vanwege de vaak geïsoleerde ligging van boerderijen is de aanname dat dit totaal de plaatselijke mussenpopulatie van de boerderij betreft. Er wordt vervolgens gezocht naar nesten tot de aantallen nest(indicatieve) waarnemingen overeenkomt met de totaalschatting aan broedparen. Of er één of meer vervolgbezoeken worden geadviseerd, hangt af van de activiteit. Wanneer de locatie voor huismussen verloren gaat, is het wenselijk om het aantal nesten met meer veldinformatie te onderbouwen. Maar vaak is het zo dat op een boerenerf een overaanbod aan nestgelegenheid aanwezig is in stallen die blijven staan. De argumentatie voor de ontheffing kan dan verlopen via het totaal aan plekken voor de Huismus en een wat globalere (over)schatting op basis van de veldgegevens.

    Inventarisatieomstandigheden

    Het Kennisdocument zegt dat de inventarisatie bij voorkeur onder de volgende omstandigheden moet plaatsvinden: goede weersomstandigheden (b.v. geen regen, harde wind en/of kou); op geluidsluwe momenten (bijvoorbeeld de zondagmorgen in stedelijk gebied); op geschikte momenten op de dag (tussen 1 à 2 uur na zonsopkomst en 1 à 2 uur voor zonsondergang is de meeste activiteit waar te nemen, met een piek in de ochtend) en met een tussenperiode van minimaal 10 dagen. Ook hier wordt impliciet uitgegaan van een groter gebied, waar je inderdaad op het piekmoment moet zijn om de meeste activiteit waar te nemen.

    Goede weersomstandigheden wordt praktisch altijd aan voldaan, omdat de keuze voor het tijdstip van het veldbezoek in de eerste plaats op deze grond wordt gemaakt. Geluidsluwe momenten is meestal niet aan de orde in mijn projecten. Wat betreft het tijdstip geeft het Kennisdocument een voorkeur aan voor een tijdstip tussen één à twee uur na zonsopgang. Hiervan wordt door mij vaak afgeweken, omdat er voor het veldbezoek van de quickscan een afspraak met de opdrachtgever wordt gemaakt, vaak om 9:00 uur ’s ochtends, wat neerkomt op drie à vier uur na zonsopgang. Sovon geeft aan dat de hele dag inventariseren kan, met een voorkeur voor de (vroege) ochtend (https://www.sovon.nl/nl/soort/15910). De Laet et al. (2011) houden aan dat binnen twee à drie uur na zonsopgang wordt geïnventariseerd en geven aan dat tellingen niet meer na 12 uur moeten plaatsvinden: As far as possible, counts should be conducted within 2–3 hours after dawn to minimise the influence of human activity and noise. Counts should not be conducted after 12.00 hrs, when sparrow activity levels fall markedly.

    Figuur 2. Nestlocaties van de Huismus (4 zwarte pijlen): 1. Nest onder de dakpan op de hoek van de woning waar al tenminste tien jaar onafgebroken is gebroed. 2. Mussenstraat op de zijgevel met vijf gaatjes, waar direct na ophangen acht jaar lang steeds één van de compartimenten werd gebruikt. 3. Nieuwe nestlocatie met in het eerste jaar na gereedkomen een territoriaal mannetje en nu twee jaar in gebruik als nest. 4. Spreeuwenpot die in het tweede jaar na ophangen in gebruik is genomen door huismussen (nu 1 seizoen). Een nestkast achterin de tuin is zes jaar lang in gebruik geweest nu niet meer in gebruik door huismussen. Het aanbieden van nestgelegenheid lijkt hier daadwerkelijk tot meer nesten te hebben geleid. Onder de dakpannenrand van de zijgevel zijn diverse oude mussennesten gevonden. Mogelijk was de mussenstraat op ca 2,5 meter hoogte boven het pad aantrekkelijker dan die oude nestlocaties, maar met het aanbieden van de spreeuwenpot op ca 5 meter hoogte (opgehangen voor spreeuwen) verloor de mussenstraat (tijdelijk?) zijn functie. De spreeuw die de pot in gebruik wilde nemen, was te laat en werd effectief bestreden door het huismussenmannetje.

    Bij een quickscan of een veldbezoek in het kader van de Wnb staat het vinden van nesten centraal. De focus ligt op nestindicatieve waarnemingen in plaats van bijvoorbeeld baltsgedrag dat in de ochtend een sterke piek vertoont. Er wordt waargenomen tot alle nesten gevonden zijn. De onzekerheid die overblijft is dat er huismussen op dat moment niet aanwezig zijn en eerder of later in de tijd er toch een nest hebben. Soms zal een tweede veldbezoek kansrijk zijn om nog een nest te vinden. Maar ook als er een nest te weinig is vastgesteld, is er een marge. Conform het Kennisdocument moeten de vastgestelde nesten met minimaal een factor twee worden vervangen als ze worden aangetast of verwijderd. Voor bijvoorbeeld drie mussennesten komen er zes terug. Dat betekent dat er in feite ook alternatieven geboden worden voor een eventueel vierde, niet vastgesteld mussennest. Het belangrijkste is dat de alternatieven op geschikte plekken worden aangebracht met voldoende tussenafstand en verschillende oriëntaties. Zeker bij omvangrijke compensaties bestaat het gevaar van het volhangen van gevels met nestkasten waarvan maar een deel gebruikt zal worden.