Smallingerland (09-09-2015)

De gemeente Smallingerland ligt op de overgang van de hoger gelegen Friese wouden naar het lage midden van Fryslân.

De naam van de gemeente is afgeleid van het dorpje Smalle Ee. Het is één van de oudste plaatsen in dit gebied. Hier aan de westzijde van Smallingerland voeren de sloten permanent water en is de invloed van opwellend grondwater overal zichtbaar. Watergangen en hun oevers zijn hier dan ook de belangrijkste kwaliteit buiten de natuurgebieden. Bij diverse projecten in deze omgeving waren beschermde vissoorten en de libellensoort groene glazenmaker van belang. Ook de aanwezigheid van Natura 2000-gebied de Alde Feanen speelt soms een rol als het gaat om de uitstoot van stikstof of verhoging van de recreatiedruk vanuit de omgeving.



Glimmen (05-02-2013)

Ecologische quickscan en bomeninventarisatie
Recent is onderzoek gedaan in Glimmen (Gn). Daar worden enkele percelen samengevoegd om woningbouw te realiseren. Een perceel met een oude tuin - vergane glorie, met dode appelbomen en een rijke variëteit aan bomen en struiken. De oude heggen zijn doorgeschoten en de bomen en struiken verdrukken elkaar. Een klein stukje oerwoud.

Dode appelboom in verwaarloosde tuin

Het is eenvoudig om een ecologische quickscan te combineren met een bomeninventarisatie die volgens de APV of kapverordening wordt voorgeschreven. In sommige verordeningen wordt ook voorgeschreven om van elke boom beeldmateriaal aan te leveren. In dit geval was het niet vereist, maar ook niet praktisch uitvoerbaar omdat alles zo dicht op elkaar groeide.



Ter zake deskundige (19-01-2012)

Vanuit de natuurwetgeving wordt gevraagd om een ter zake deskundige
Men voldoet aan deze eis als aan één of meer van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
- men heeft op HBO, dan wel universitair niveau een opleiding genoten met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie;
- men is als ecoloog werkzaam voor een ecologisch adviesbureau dat is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus (NGB);
- men zet zich aantoonbaar actief in op het gebied van soortenbescherming en is aangesloten bij de daarvoor in Nederland bestaande organisaties.

Alle ecologische quickscans worden uitgevoerd door Peter Vos. Hij heeft biologie gestudeerd aan de Rijksuniversiteit Groningen, met als specialisatie plantenecologie.
Ongeveer anderhalf jaar heeft hij gewerkt bij een bureau dat aangesloten is bij het NGB. Hij is bekend met en onderschrijft de kwaliteitseisen van het NGB.
Wat betreft soortenbescherming wordt in 2012 onder de vlag van SOVON een broedvogelinventarisatie uitgevoerd (BMP-B) en worden al enkele jaren watervogels geteld. Voor de Zoogdiervereniging (VZZ) is de afgelopen jaren deelgenomen aan braakbalmonitoring.

Door cursussen en inventarisaties is veldervaring opgedaan met de soortgroepen amfibieën en vissen (schepnetvissen) en vleermuisonderzoek. Dit is voldoende voor quickscans en een deel van de aanvullende onderzoeken. Voor specifieke deskundigheid op dit gebied wordt samengewerkt met andere ecologen, voor vleermuizen bijvoorbeeld met Modderman Flora en Fauna.



Plantenonderzoek in februari (03-01-2012)

Hoe werkt een ecologische quickscan?

"Hoe zit het met het onderzoek naar planten in februari, dat is merkwaardig". De vraag hoe je planten in de winter kunt onderzoeken wordt vaker gesteld. Voor een nauwkeurig beeld van de plantengroei van een gebied is het nodig om het op meerdere momenten van het jaar tijdens het groeiseizoen te bezoeken. In het voorjaar voor de vroege bloeiers, in de voorzomer voor de meeste soorten, maar met name de grassen die dan goed te vinden en te herkennen zijn. En in de nazomer nog een keer.

Zo'n onderzoek wordt in een ecologische quickscan niet gevraagd. Strikt genomen wordt eigenlijk alleen gevraagd of beschermde soorten, in dit geval plantensoorten, aangetast worden door de werkzaamheden die men wil uitvoeren. De vraag is dus of er beschermde soorten voorkomen en of er effecten van de werkzaamheden zijn op deze soorten. De plantensoorten waar het bij de quickscan om gaat, betreffen een beperkte lijst aan soorten. Op verschillende manieren kunnen de soorten op deze lijst worden uitgesloten:

1) Van een deel van de soorten is de verspreiding in Nederland goed bekend. Ze komen bijvoorbeeld alleen maar in de duinen voor. Of alleen maar Zuid-Limburg. Deze soorten kun je uitsluiten als je niet in de duinen of in Zuid-Limburg bent.
2) Een deel van de soorten komt alleen onder specifieke omstandigheden voor, bijvoorbeeld in schrale, open vegetaties. Ook in de winter is nog wel onderscheiden wat de aard van de vegetatie is. Op verstoorde, voedselrijke grond kunnen veel schrale soorten worden uitgesloten.
3) Kennis van en ervaring met plantensoorten: er blijft een aantal soorten over waarvan de vraag beantwoord moet worden of ze er voorkomen. In een kleigebied zou je bijvoorbeeld Zwanenbloem kunnen verwachten. Bij het veldbezoek blijkt echter dat de greppels maar een klein beetje water voeren en 's zomers waarschijnlijk droog staan. De greppelvegetatie bestaat uit Fioringras en Mannagras. Het is een greppel met een vaste bodem, geen verlandingsvegetatie. Alle omstandigheden bij elkaar maken dat Zwanenbloem  kan worden uitgesloten op basis van kennis van en ervaring met de soort.

Wanneer beschermde soorten (van Tabel 2 en 3 van de Flora- en faunawet) niet kunnen worden uitgesloten, dan zal er een aanvullend onderzoek in de juiste periode moeten plaatsvinden.

Los van de beschermde soorten wordt bij de quickscan ook de vraag gesteld: dreigt hier een bijzondere vegetatie verloren te gaan? Of is er sprake van bijzondere milieukwaliteiten of potenties. Is er sprake van Rode-Lijstsoorten? Met welke dingen zou de opdrachtgever rekening moeten houden om zorgvuldig met de natuurlijke waarden om te gaan.



Het Natuurloket (28-11-2011)

Bij het Natuurloket worden natuurgegevens tegen betaling beschikbaar gesteld.

 

Een globaal rapport geeft aan hoeveel beschermde soorten er in een kilometerhok voorkomen. Voor het verzamelen van natuurgegevens is Nederland namelijk opgedeeld in hokken van 1 keer 1 kilometer. Een uitgebreid rapport geeft aan welke soorten er volgens het Natuurloket voorkomen. Dit rapport is zeer prijzig en de gegevens die daar in staan, zullen nog steeds geïnterpreteerd moeten worden.

Voor een ecologische quickscan wordt in de praktijk altijd een globale rapportage opgevraagd. Vervolgens worden gegevens verzameld uit literatuurbronnen, zoals waarnemingsoverzichten van organisaties die planten en dieren inventariseren. Tot nog toe blijkt dat de gegevens van het Natuurloket niet compleet zijn, ten opzichte van andere bronnen. Dit heeft mogelijk mede te maken met een vertraging waarbij de gegevens in het Natuurloket ingevoerd worden. Het literatuuronderzoek levert een lijst van soorten op die in de omgeving voorkomen.

Bij het veldonderzoek wordt in het bijzonder op deze soorten gelet. Maar het kan ook de aanleiding vormen om soorten aan de lijst toe te voegen. Van vleermuizen zijn bijvoorbeeld relatief weinig (recente) verspreidingsgegevens bekend. Op basis van de aanwezige biotopen kunnen daarom soorten worden uitgesloten, maar ook worden toegevoegd. Veel ecologische quickscans worden uitgevoerd waar nooit eerder inventarisaties zijn uitgevoerd, bij bedrijven en particulieren. Bij onvoldoende gegevens kan een uitgebreid rapport van het Natuurloket soms uitkomst geven, maar zeker in het geval van vleermuizen is een aanvullend veldonderzoek nauwelijks te voorkomen.

 

Natuurgegevens worden voor een groot deel door vrijwilligers verzameld. Er worden echter kosten gemaakt voor het opslaan en beschikbaar stellen van deze gegevens. In de tabel wordt aangegeven waar de gegevens van het Natuurloket vandaan komen (bron: Natuurloket nieuwsbrief 28 oktober 2011).

Bronhouder

(* hoofdzakelijk vrijwiligers)

Beschikbare waarnemingen

Stichting VeldOnderzoek Flora en Fauna (VOFF)*

Anemoon, BLWG, EIS, Floron, NMV, RAVON, SOVON, TINEA,    

Vlinderstichting en Zoogdiervereniging

25.321.387

Waarneming.nl*

8.789.504

Atlassen (vogels)*

4.023.695

Regionale vrijwilligersorganisaties*

1.923.788

Alterra

1.151.333

Provincies

762.947

Telmee*

564.384

Meetnetten (i.s.m CBS)*

77.271

Gemeenten

61.936

Waterschappen

12.741

Natuurkalender*

9.414

Natuurmonumenten

5.502

Sportvisserij Nederland

3.575

Rijkswaterstaat droog

2.375

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 



Sloop en kap: tijdig onderzoek (02-01-2011)

In het kader van de omgevingsvergunning wordt vaak aangegeven dat onderzoek naar vleermuizen nodig is.
Dit is met name het geval als er gebouwen gesloopt worden en bomen worden gekapt. Vos Ecologisch Onderzoek voert in zo'n geval altijd eerst een ecologische quickscan uit. Hoewel de nadruk ligt op vleermuizen, zijn ook andere soortgroepen van belang. Naast vleermuizen zijn ook vogels relevant. Ook de Steenmarter is een beschermde soort die in gebouwen kan worden aangetroffen.

Vogelsoorten die broeden in en op gebouwen, zijn bijvoorbeeld de Huismus, Ringmus, Spreeuw, Witte kwikstaart, Zwarte roodstaart, Kauw, Boerenzwaluw, Huiszwaluw, Kerkuil en Steenuil. Zoogdieren die huizen opzoeken, zijn muizen, ratten, vleermuizen en marterachtigen. Amfibieën kunnen zich onder muren en vloeren verschuilen. Tenslotte zijn er allerlei ongewervelde dieren die in gebouwen leven of schuilen. In sommige gevallen zijn ook plantensoorten van belang, als het gaat om bijzondere muurflora.

Oude gebouwen bieden vaak allerlei bijzondere leefomstandigheden voor dieren. Nieuwe gebouwen zijn vaak te steriel, ontoegankelijk of door de keuze van materialen minder geschikt voor dieren. Bij nieuwbouw zouden eigenlijk standaard maatregelen voor dieren genomen moeten worden, bijvoorbeeld door het geschikt maken van daken voor vogels, toegang tot de spouw voor vleermuizen of speciale vleermuisvoorzieningen, beschutte plekken voor boerenzwaluwen, etc.

Om de betekenis van een woning voor vleermuizen vast te stellen, is onderzoek nodig in de voorzomer en in het najaar. In het broedseizoen mag niet gesloopt worden, tenzij vaststaat dat er geen broedvogels in het gebouw aanwezig zijn. Als de Steenmarter er zijn vaste verblijf heeft, is een ontheffing nodig. Bijzondere soorten amfibieën kunnen ook nader onderzoek of ontheffing vereisen. De aanwezigheid van diersoorten in gebouwen kan leiden tot tijdrovende procedures. Wie met een toets voor de Flora- en fauna wacht tot het moment dat een sloopvergunning aangevraagd wordt, kan maanden vertraging oplopen.

In 2011 heeft Vos Ecologisch Onderzoek ecologische quickscans in combinatie met vleermuisobservaties gedaan in Adorp, Annen, Benneveld en Warffum. In Groningen, Heerde en Wolvega was het na de quickscan nodig om aanvullend onderzoek te doen en mitigerende maatregelen te nemen. In Heerde is samengewerkt met Modderman Flora & Fauna (vleermuisspecialist), vanwege de aanwezigheid van bijzondere vleermuissoorten. Daar werd de Franjestaart vastgesteld, foeragerend langs de sprengenbeken. 



Gebiedsbescherming (18-02-2008)

Bouwen in de EHS

De Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is een aaneenschakeling van natuurgebieden. Doelen zijn het opheffen van versnippering en het uitbreiden van de oppervlakte natuur. Versnippering is één van de grootste problemen van de Nederlandse natuur. Versnippering betekent dat versnipperde natuur veel meer last heeft van randeffecten dan een aaneengesloten natuurgebied van gelijke oppervlakte. Randeffecten zijn bijvoorbeeld vermesting en ontwatering waardoor de plantengroei in waarde afneemt.

Versnippering betekent ook dat planten en dieren stukjes onaantrekkelijk of gevaarlijk terrein moeten oversteken om in een ander stukje leefgebied te moeten komen. Waar oversteken niet of onvoldoende lukt, treedt inteelt op en kunnen planten- en diersoorten uitsterven als gevolg van toevallige factoren als bijvoorbeeld een slechte zomer. In een groot gebied zijn altijd wel individuen die overleven, in een natuursnippertje ontbreekt de maat daarvoor.

De Ecologische hoofdstructuur is een concept dat door beleidsmakers snel opgepakt is. Wel ontbreekt bij beleidsmakers soms het besef dat verbinden niet genoeg is, maar dat ook de verbindingen zelf voldoende kwaliteit moeten hebben. In 2015 moeten alle gronden voor de EHS aangekocht zijn. In 2018 moet de EHS ingericht zijn. Met het huidige tempo is dat niet haalbaar. Terwijl bijvoorbeeld voor woningbouw onteigening wordt toegepast, krijgt de EHS niet die prioriteit. Ondertussen hebben eigenaars wel te rekenen met de beperkingen die de EHS stelt.

De EHS is een hoofdstructuur. Het concept dat natuur baat heeft bij verbindingen, net als mensen baat hebben bij wegen, kan overal toegepast worden. Wanneer zulke principes tussen de oren zitten, hoeft er ook geen gebruik meer gemaakt te worden van rigide instrumenten als de Flora en faunawet. Ontwerp volgens landschappelijke en ecologische principes houdt in dat soorten zich eenvoudig kunnen hervestigen als op bepaalde plekken het leefgebied verdwijnt.

De EHS blijkt vaak nog onvoldoende bekend te zijn bij gemeenten, bedrijven en publiek. Hij is een behoorlijk obstakel als je daarbinnen iets wil doen. De EHS ligt meestal op plekken die het laatst of het minst in cultuur zijn gebracht en waar de natuurlijke waarden of processen nog aanwezig zijn. Wanneer je iets van natuurwaarde tegenkomt, zou je moeten weten dat je daar niet zomaar kunt bouwen, ook al ben je de eigenaar. Wat dat betreft is het vreemd dat er nog steeds mensen zijn die verbaasd zijn dat ze teruggefloten worden als ze iets van de EHS willen afhalen. De ligging van de EHS is meestal eenvoudig te vinden op de website van de provincie.