Smallingerland (09-09-2015)

De gemeente Smallingerland ligt op de overgang van de hoger gelegen Friese wouden naar het lage midden van Fryslân.

De naam van de gemeente is afgeleid van het dorpje Smalle Ee. Het is één van de oudste plaatsen in dit gebied. Hier aan de westzijde van Smallingerland voeren de sloten permanent water en is de invloed van opwellend grondwater overal zichtbaar. Watergangen en hun oevers zijn hier dan ook de belangrijkste kwaliteit buiten de natuurgebieden. Bij diverse projecten in deze omgeving waren beschermde vissoorten en de libellensoort groene glazenmaker van belang. Ook de aanwezigheid van Natura 2000-gebied de Alde Feanen speelt soms een rol als het gaat om de uitstoot van stikstof of verhoging van de recreatiedruk vanuit de omgeving.



Floradistricten (13-02-2013)

De verspreiding van de wilde flora hangt sterk samen met bodem en klimaat.
Op grond van onderlinge overeenkomsten in verspreidingspatronen van de verschillende plantensoorten worden floradistricten onderscheiden.

Laagveen

Langs de randen van de hogere zandgronden lagen vroeger uitgestrekte venen. Overstroming met oppervlaktewater en het uittreden van grondwater zorgden ervoor, dat deze gebieden zeer nat waren en vaak pas laat werden ontgonnen. Tegenwoordig zijn deze gebieden nog te herkennen als veenweidegebieden met relatief hoge slootwaterpeilen. Daarbinnen liggen restanten van petgaten en moerasbos. Juist in de slootranden en plekjes die niet intensief in gebruik zijn gekomen, is nog een grote diversiteit van planten (en dieren) aan te treffen.

De Groninger maren een belangrijke natuurwaarde en potentie

Kleigebieden

In Zuid-west en Noord-Nederland liggen uitgestrekte kleigebieden die gevormd zijn door afzetting door de zee. Ook de Flevopolders en kleinere droogmakerijen bestaan voor een belangrijk deel uit klei. Grondwaterstroming is in deze gebieden van minder belang en vaak zijn de gronden sterk gedraineerd. Afhankelijk van de bodemkwaliteit zijn de kleigebieden in gebruik als grasland of akkerland. De diversiteit aan plantensoorten is minder groot dan in laagveengebieden. Voor de ontwikkeling van nieuwe natuur zijn kleigebieden interessant en kansrijk.


Waddengebied

Het waddengebied en het Deltagebied liggen in het verlengde van de kleigebieden en maken daarvan deel uit. De dijken vormen een kunstmatige, harde grens. Naarmate de invloed van het zeewater groter wordt, wordt minder klei afgezet en kunnen alleen zandige deeltjes bezinken. Wie gaat wadlopen, zal merken dat het wad bij de vastelandkwelder erg slibrijk is, terwijl het wad aan de zuidzijde van de Waddeneilanden voornamelijk uit zand bestaat. Vegetaties is het waddengebied staan onder invloed van zout. De variatie van zout/zoet, nat/droog, wel/ geen overstroming, zand/ klei, etc. zorgt ervoor dat de Waddeneilanden bijzonder rijk zijn aan plantensoorten. Wanneer natuurlijke dynamiek wordt toegelaten, vernieuwen zich veel van de aanwezige biotopen en vinden plantensoorten steeds weer nieuwe groeiplaatsen.

De hogere gronden

De hogere gronden bestaan uit Drenthe, Twente, grote delen van Gelderland, Utrecht, Noord-Brabant, Zeeuws-Vlaanderen en Limburg. Ze bestaan grotendeels uit zand, maar in het zuiden en oosten komen ook gesteenten aan de oppervlakte. Beken en kleine riviertjes stroomden van de hogere gronden naar de zee. Van oorsprong bestond de vegetatie van de zandgronden uit bossen en hoogvenen. Door ontginningen ontstonden naast de akker- en graslandcomplexen ook grote heidevelden en stuifzanden. In oude hakhoutbosjes, houtwallen, schraallanden, heidevelden en hoogveenrestanten is nog iets terug te vinden van de oorspronkelijke rijkdom. Het zandlandschap kent grote tegenstellingen tussen intensief landgebruik (mesterijen en maïsteelt) naast kwetsbare natuurtypen (gevoelig voor vermesting). Behoud en bescherming van bijzondere plantensoorten is hier, net als in het laagveengebied, lastig. Kansen zijn er wat betreft de grote oppervlakten bos en heide die in bezit zijn bij overheden, natuurorganisaties en particulieren om natuurlijke processen weer meer ruimte te geven.

Ook de duinen van Noord- en Zuid-Holland zijn te beschouwen als hogere gronden, maar wel met een onderscheiden flora die aansluit bij het Noordzee/Waddengebied. Ook Zuid-Limburg wordt onderscheiden als apart floradistrict (Heuvelland).

Begrazingsstructuren in rivierenlandschap

Het rivierengebied

Het rivierengebied is van oorsprong rijk aan (overstromings)dynamiek. Door de aanleg van dijken is de invloed van de rivier beperkt tot een smalle zone en zijn belangrijke overgangen verdwenen. Dit resulteert in extremere waterstanden en sterkere opslibbing van de uiterwaarden.
Het gebied is kansrijk voor natuurontwikkeling. Na de overstromingen in de jaren ’90 van de vorige eeuw heeft men meer ruimte aan de rivieren willen geven door het graven van nevengeulen, het doorsteken van zomerdijken en het afgraven van uiterwaarden. Natuurontwikkeling heeft hier al geleid tot de uitbreiding van voor het rivierengebied kenmerkende plantensoorten.

Varens op de schaduwzijde van een oude muur

Urbane gebieden

De stedelijke omgeving kent een heel eigen klimaat en dynamiek. Het is er een paar graden warmer dan erbuiten, de omgeving is versteend en er duiken veel nieuwe soorten op. Hierdoor kan men er een apart floradistrict onderscheiden.



Natuurpareltjes (31-05-2011)

De Oude Riet, nu een poldertje, vroeger een enorm doorstroommoeras.

Natuur kan alleen begrepen worden tegen de achtergrond van ruimte en tijd. Wat we nu zien, zijn restanten van wat eens een samenhangend landschap vormde. En ook de restanten zijn onderhevig aan verandering. Natuurbescherming begon als particulier initiatief door mensen die gebieden als de Oude Riet waardeerden. Natuurbescherming werd erkend als algemeen belang en belangrijke natuurgebieden konden worden veilig gesteld. Maar nu brokkelen algemene belangen af. Het lijkt er steeds vaker op dat mensen wel in het geweer komen als hun woongenot wordt bedreigd, maar niet als verderop iets soortgelijks gebeurt.

 

De Oude Riet is een riviertje in het Groninger Westerkwartier. Het ontspringt ten westen van Marum en loopt noordoostwaarts tot aan Oostwold en buigt dan naar het noordwesten af, om de rug waarop Zuid- en Noordhorn liggen, richting het Lauwersmeer. Het zuidelijk deel loopt door een erosiegeul en tussen twee zandruggen die zijn gevormd in de ijstijden. Na afloop van de ijstijden trad er sterke veenvorming op. In het gebied van de Friese wouden en de aangrenzende delen van Groningen en Drenthe ontstonden uitgestrekte hoogvenen. Vanuit deze hoger gelegen delen stroomde water door de grond en over de oppervlakte af naar de zee.

Fochteloerveen, gefotografeerd vanaf de uitkijktoren bij Ravenswoud 

Het Fochteloërveen, een restant van de uitgestrekte hoogvenen op de grens van Groningen, Friesland en Drenthe.

 

Het water stroomde over en door het veen af naar zee. De afvoer zal redelijk constant geweest zijn, doordat de hoogveenmassa’s het regenwater opnamen als een spons en met vrij constante snelheid door het jaar heen weer afgaven aan het riviertje. Van een (diepe) stroomgeul zal geen sprake zijn geweest. De vegetatie bestond uit een bos van elzen, wilgen en berken, met in de ondergroei zeggen en russen en allerlei andere moerasplanten.

Polder Oude Riet, gefotografeerd vanaf de Lietsweg naar het westen 

Polder Oude Riet, vanaf de Lietsweg naar het westen gezien.

 

Vanaf de zandruggen vond de ontginning plaats. Geleidelijk werd het veen ontwaterd en verkaveld. Door te hakken, begrazen en maaien verdwenen de bossen en ontstonden uitgestrekte vlaktes. Voor de ontwatering was het van belang om de waterafvoercapaciteit te vergroten. Daartoe werden stroompjes als de Oude Riet uitgediept. Door de ontginning van de hoogvenen ontstonden er bovendien meer pieken in de afvoer, waardoor de Oude Riet verder werd uitgesleten. Tenslotte kreeg ook de zee nog vat op het gebied en is er klei afgezet.

 

Echte koekoeksbloem

De Echte koekoeksbloem is typerend voor dotterbloemhooilanden.

 

Polder de Oude Riet is één van de restanten waar de halfnatuurlijke zeggenvegetaties bewaard zijn gebleven. Hier was de kwel van grondwater zo sterk dat het nauwelijks te ontwateren was. Het is op tijd in beheer gekomen bij Staatsbosbeheer, voordat het met moderne technieken toch ontwaterd zou worden. Hoewel de zogenoemde dotterbloemhooilanden niet toegankelijk zijn, is het geheel goed te overzien vanaf de weg. Veel plantensoorten zijn ook her en der in de bermen en sloten te zien, zoals bijvoorbeeld de Rietorchis. Sommige soorten uit het oorspronkelijke landschap krijgen alleen langs de weg een kans, zoals Zwarte els en Grauwe wilg. Om de Noordse zegge te zien, zal je het gebied in moeten gaan.

 

Structuurvariatie door vrij uitgroeiende wilgen en elzen

Meer structuurvariatie is niet alleen goed voor de natuur maar ook voor het landschapsbeeld.

 

Tijdens het voorbereiden en leiden van een plantenexcursie naar dit gebied blijkt het ook voor vogels een belangrijk gebied te zijn, met name voor de zeldzame Kwartelkoning. Ook Wulp, Grutto, Kwartel, Graspieper en Rietgors komen er voor. Andere soorten die het moeten hebben van meer ruigte en structuur van struiken en bomen komen voor langs de wegen en rond de bebouwing: Fitis, Tjiftjaf, Zwartkop, Grasmus, Bosrietzanger, Spotvogel, Zanglijster, Koolmees, Spreeuw, Zwarte kraai, Putter, Koekoek en  Fazant.