Oostvaardersplassen (20-03-2018)

De casus Oostvaardersplassen is belangrijk voor het denken over het Natuurnetwerk Nederland. Het is voor iedereen zichtbaar dat de dieren daar maar beperkt kunnen migreren.

Het lijden van de dieren in de Oostvaardersplassen (OVP) is niet prettig om te zien en roept emoties op. De reflex om te willen bijvoeren is logisch, maar kan beter beheerst worden. De jaarlijkse sterfte in de OVP vindt geconcentreerd plaats aan het eind van de winter. Een dier in de Oostvaardersplassen heeft het grootste deel van het jaar een goed leven. De kans dat hij de moeilijke winter overleeft, is ca 70-80 %. Dieren in de OVP kunnen dan ook oud worden. Vanuit het oogpunt van het beperken van dierenleed worden dieren die de lente niet zullen halen, geschoten.

Het lijden van de dieren op de Veluwe zien we niet. De dieren staan een groot deel van het jaar bloot aan jachtgeweren. Tegenwoordig wordt ook 's nachts geschoten. De dieren zijn daarom het hele jaar schuw en onzichtbaar. De sterfte vindt meer gespreid over het jaar plaats. De kans dat een dier het jaar overleeft, is ca 50%. Dieren worden er niet oud en kunnen hun natuurlijke gedrag niet vertonen. Het afschot vindt niet plaats vanuit het oogpunt van het beperken van dierenleed, noch enige andere ecologische doelstelling. Het aantal dat men nastreeft, brengt met zich mee dat de populatie in de groeifase blijft. Vanuit het oogpunt van exploitatie komt dat goed uit.

Beide gebieden vormen elkaars tegenpolen. De OVP is vruchtbaar, de Veluwe arm. In de OVP is vrijheid, dankzij hekken, op de Veluwe is onvrijheid omdat hekken als adequaat middel tegen verkeersongelukken en landbouwschade onvoldoende worden toegepast en het bestrijden van schade risico is dweilen met de kraan open. De Veluwe wordt maximaal geëxploiteerd, in de OVP geldt de afblijfplicht.

Een verbinding tussen de twee gebieden is ecologisch gezien ideaal. In de zomer is de OVP ideaal als leefgebied, in de winter is de Veluwe ideaal. Het bezwaar van het te kleine oppervlak van de OVP (5000 ha) verdwijnt, want de verbinding zorgt voor één samenhangend gebied. Gebieden van 100.000 ha zoals de Veluwe zijn in heel West-Europa zeldzaam. Het Wild zwijn en de Wolf kunnen de OVP bereiken. Zowel Veluwe als OVP worden door de verbinding meer compleet in hun ecologisch functioneren. Dit is precies wat beoogd wordt met de Ecologische Hoofdstructuur, het Natuurnetwerk Nederland.

Het bestaan van de OVP - een natuurgebied dat er is om zichzelf en geen nut heeft - is een bedreiging voor de Veluwe - een gebied dat zijn huidige aanzicht dankt aan overexploitatie in het verleden en nog steeds gekenmerkt wordt door produceren en oogsten. Het laaghangende fruit van de ontwikkeling van het Natuurnetwerk is inmiddels geplukt. Het komt nu aan op het inrichten en beheren van de gebieden. De ecologische verbinding tussen OVP en Veluwe ligt er grotendeels, het komt nu aan op doorzettingsvermogen. Laat het natuurbeleid zich nog steeds gijzelen door economische motieven? Of is er sprake van gedegen ruimtelijke ordening die plaats biedt aan exploitatie buiten natuurgebieden en natuur in natuurgebieden. Het huidige stagneren van het natuurbeleid kan alleen maar opgelost worden door deze hobbel te nemen en te beseffen dat de weerstand hoort bij het stappen maken. Sinds het tot stand komen van het Natuurbeleidsplan zijn we inmiddels bijna 30 jaar verder en wordt het wel eens tijd.



Bescherming van de Huismus (05-03-2012)

De neergang van een doodgewone vogel

De Huismus, vroeger overal te zien, en vooral, te horen, nu niet meer vanzelfsprekend

Nesten van de Huismus zijn jaarrond beschermd. Bij de sloop van woningen en gebouwen is men verplicht onderzoek te doen naar de aanwezigheid van nesten van de Huismus. Indien aanwezig, dienen deze nesten gecompenseerd te worden.

De populatie van de huismus is tussen 1990 en 2000 bijna gehalveerd. Na 2000 is de stand gestabiliseerd. Eén van de maatregelen om een verdere teruggang tegen te gaan, is het beschermen van de bestaande nestgelegenheid.
Het creëren van nieuwe nestgelegenheid wordt aan het particulier initiatief over gelaten. Het zou een hoop schelen als architecten en projectontwikkelaars standaard nestgelegenheid creëren in nieuwe gebouwen. Daarmee zijn ze compensatieverplichtingen voor en wordt soortbescherming positief benaderd in plaats van door dwingende regels.

In Nederland wordt maar weinig onderzoek gedaan naar de Huismus. Onderzoeker René Oosterhuis ringt huismussen in Groningen en Noord-Drenthe. Uit voorlopige resultaten blijkt dat de overleving van volwassen vogels in het landelijk gebied hoger is dan in stedelijk gebied. Dit kan goed verklaard worden uit de voedselbeschikbaarheid. In het landelijk gebied zijn veel meer insecten die nodig zijn om de jongen te voeren. In het stedelijk gebied kost het de huismussen teveel tijd en inspanning, waardoor ze een hoger sterfrisico lopen.



Wild zwijn (06-12-2011)

Het Wild zwijn is een grote grazer.

Door zijn wroetactiviteit, tot soms meer dan een halve meter diep, heeft hij een groot effect op de bodem. Hierdoor worden strooiselpakketten opgeruimd en ontstaan kiemmilieus voor planten. Vrijlevende, natuurlijke en onbejaagde populaties wilde zwijnen roepen vragen op.


 Wild zwijn

Een probleem op de Veluwe is dat er zoveel gewroet wordt, dat de biodiversiteit aan o.a. kruiden, paddenstoelen en bodemorganismen mogelijk achteruit gaat. Een zwijn wroet om wortels en bodemdieren (bijvoorbeeld wormen en emelten) te eten. Hierdoor brengt hij variatie aan in zijn dieet. Het natuurgebied Veluwe waarin de zwijnen in verschillende deelrasters aanwezig zijn, is grotendeels schraal en zuur, waardoor het bodemleven weinig ontwikkeld is. De rijkere gronden zijn weinig beschikbaar of onveilig (jacht). Daardoor zullen zwijnen grote oppervlakten schrale grond moeten omwoelen om aan hun benodigde voedingsstoffen te komen. Het natuurgebied mist dus rijkere voedselgronden, die zwijnen nodig hebben. Deze zullen aan het natuurgebied moeten worden toegevoegd. Zonder jacht en in een compleet leefgebied zullen zwijnen zich meer concentreren rond aantrekkelijke voedselplekken en neemt de bodemverstoring in grote delen van de Veluwe af.  Een (tijdelijke) oplossing kan zijn om bepaalde “eilandjes” uit te rasteren, waardoor er plaatsen met onverstoorde bodem zijn.

 

Soms wordt er beweerd dat afrasteringen geen effect hebben (bijvoorbeeld Trouw 23 maart 2011). Dit is onjuist. Zo zijn problemen met Wilde zwijnen langs de snelwegen beperkt tot de opritten waar afrasteren niet mogelijk is. Wel kan er geen garantie gegeven worden dat een raster 100% werkt. Een dier dat van de ene naar de andere kant wil, zal als de motivatie sterk genoeg is, een manier kunnen vinden. Er is daarom altijd inspectie en onderhoud nodig als een raster geplaatst wordt. Voor een zwartwildraster kan men bij verschillende bedrijven terecht. Meer informatie over het Wild zwijn is te vinden op Nieuwe Wildernis.



Sloop en kap: tijdig onderzoek (02-01-2011)

In het kader van de omgevingsvergunning wordt vaak aangegeven dat onderzoek naar vleermuizen nodig is.
Dit is met name het geval als er gebouwen gesloopt worden en bomen worden gekapt. Vos Ecologisch Onderzoek voert in zo'n geval altijd eerst een ecologische quickscan uit. Hoewel de nadruk ligt op vleermuizen, zijn ook andere soortgroepen van belang. Naast vleermuizen zijn ook vogels relevant. Ook de Steenmarter is een beschermde soort die in gebouwen kan worden aangetroffen.

Vogelsoorten die broeden in en op gebouwen, zijn bijvoorbeeld de Huismus, Ringmus, Spreeuw, Witte kwikstaart, Zwarte roodstaart, Kauw, Boerenzwaluw, Huiszwaluw, Kerkuil en Steenuil. Zoogdieren die huizen opzoeken, zijn muizen, ratten, vleermuizen en marterachtigen. Amfibieën kunnen zich onder muren en vloeren verschuilen. Tenslotte zijn er allerlei ongewervelde dieren die in gebouwen leven of schuilen. In sommige gevallen zijn ook plantensoorten van belang, als het gaat om bijzondere muurflora.

Oude gebouwen bieden vaak allerlei bijzondere leefomstandigheden voor dieren. Nieuwe gebouwen zijn vaak te steriel, ontoegankelijk of door de keuze van materialen minder geschikt voor dieren. Bij nieuwbouw zouden eigenlijk standaard maatregelen voor dieren genomen moeten worden, bijvoorbeeld door het geschikt maken van daken voor vogels, toegang tot de spouw voor vleermuizen of speciale vleermuisvoorzieningen, beschutte plekken voor boerenzwaluwen, etc.

Om de betekenis van een woning voor vleermuizen vast te stellen, is onderzoek nodig in de voorzomer en in het najaar. In het broedseizoen mag niet gesloopt worden, tenzij vaststaat dat er geen broedvogels in het gebouw aanwezig zijn. Als de Steenmarter er zijn vaste verblijf heeft, is een ontheffing nodig. Bijzondere soorten amfibieën kunnen ook nader onderzoek of ontheffing vereisen. De aanwezigheid van diersoorten in gebouwen kan leiden tot tijdrovende procedures. Wie met een toets voor de Flora- en fauna wacht tot het moment dat een sloopvergunning aangevraagd wordt, kan maanden vertraging oplopen.

In 2011 heeft Vos Ecologisch Onderzoek ecologische quickscans in combinatie met vleermuisobservaties gedaan in Adorp, Annen, Benneveld en Warffum. In Groningen, Heerde en Wolvega was het na de quickscan nodig om aanvullend onderzoek te doen en mitigerende maatregelen te nemen. In Heerde is samengewerkt met Modderman Flora & Fauna (vleermuisspecialist), vanwege de aanwezigheid van bijzondere vleermuissoorten. Daar werd de Franjestaart vastgesteld, foeragerend langs de sprengenbeken. 



De vos vogelvrij en zondebok (12-12-2009)

De vos: vrijwel onbeperkt jagen op een beschermde diersoort.
Op de ledenvergadering van de Zoogdiervereniging werd de documentaire ‘Rotvos’ vertoond. Om een indruk te krijgen hoe tegenstrijdig natuurbeschermers in Nederland opereren, is de documentaire een absolute aanrader. Hij is bekroond met een Gouden Kalf.


Flyer -voor- en achterkant- zie ook www.rotvos.nl


In het halfuurtje discussie dat volgde op de documentaire, gaf vossenonderzoeker Jaap Mulder aan dat vossenjacht in sommige gevallen schade aan weidevogels zou kunnen beperken, mits er vlak vóór of in het broedseizoen gejaagd zou worden. Het gaat om maatwerk: schieten in het hele land en vooral in december heeft geen effect en zorgt voor onnodig dierenleed. Hoewel de vos een beschermde diersoort in de Flora- en faunawet is, kan er in Nederland vrijwel onbeperkt op gejaagd worden.

 

Van de Zoogdiervereniging mag verwacht worden dat ze zich uitspreekt vóór de bescherming van de vos. Maar het halfuurtje werd volgepraat over weidevogelbescherming en er was verdeeldheid over de acceptatie van vossenjacht als beheermaatregel. Wat betreft weidevogelbescherming: feit is dat de vos maar één van de vele bedreigingen is. Verder bestaan er alternatieven voor vossenjacht, zoals bijvoorbeeld het aanbrengen van stroomraster (www.groningerlandschap.nl). Een club die zich wel duidelijk uitspreekt voor bescherming van de vos is de Faunabescherming.

 

De vos was in 2009 vaker in het nieuws. In maart werden vossen ontdekt op Vlieland. Daarvan zijn er inmiddels 3 doodgeschoten, 2 met strik gevangen en er loopt waarschijnlijk nog één vrij rond (Leeuwarder Courant 7 december 2009, www.zoogdiervereniging.nl). Ook op Texel is mogelijk een vos aanwezig (Texelse Courant 18/19 november 2009, www.zoogdiervereniging.nl). Er wordt beweerd dat de vos van nature niet thuishoort op de wadden. Inderdaad zijn de Waddeneilanden moeilijk te koloniseren, omdat het wad breed is en er geulen overgestoken moeten worden. Er ligt niet vaak ijs. De eilandfauna bestaat echter niet alleen uit vogels maar uit veel meer (zoog)dieren die er ooit lopend of zwemmend zijn gekomen. De vos is er waarschijnlijk uigestorven.  

 

Het Nederlandse landschap is begaanbaar, toegankelijk en overzichtelijk voor een vos die ’s nachts kilometers loopt. Veel plaatsen waar prooidieren leven, zijn eenvoudig toegankelijk. In het verarmde cultuur- en natuurlandschap zijn dieren waarschijnlijk langer uit hun dekking om voedsel te verzamelen, waardoor de kans groter is dat roofdieren ze pakken. Met name de oude cultuurvolgers als Hamster, Korhoen en weidevogels zijn de klos. De landschappen waarin zij leven, zijn geleidelijk veranderd van kleinschalig en veelvormig naar grootschalig en eentonig en van grotendeels nat en ontoegankelijk tot droog en eenvormig.