Heidebeheer (05-01-2012)

Vervangingsgemeenschap van bos

Op de hogere gronden zijn heidevelden een aantrekkelijke afwisseling van de bossen. De bossen kunnen grofweg onderscheiden worden in aangeplante bossen met een dichte structuur en doorgeschoten hakhout/ dichtgegroeide heidevelden die meestal wat opener zijn met meer diversiteit in structuur en leeftijd. Bedacht moet worden dat halverwege de 19e eeuw er nauwelijks bomen te vinden waren op de hogere gronden. In plaats daarvan lagen er uitgestrekte heide en stuifzanden. Men kon vanaf de ene kant van de Veluwe de dorpen aan de andere kant zien liggen.

Oorspronkelijk waren deze gronden met bos bedekt. Vanaf de middeleeuwen liet men er zoveel vee in grazen en haalde men er zoveel plaggen en hout uit, dat het bos verdween en de gronden uitgeput raakten.  Er konden nog slechts heideplanten en schrale grassen groeien. Waar het gebruik te intensief was, ging ook de zode kapot en konden de stuifzanden ontstaan. Vanaf eind 19e eeuw zijn er uitgebreide productiebossen aangelegd om de zandverstuivingen te stoppen en voor het leveren van hout voor de mijnen. In de 20e eeuw stopte bijna overal het boerengebruik van de heide, en begonnen de overgebleven heiden dicht te groeien. Door vermesting door verkeer, industrie en landbouw is de neiging van heidevelden om dicht te groeien, versterkt.


Door overbegrazing verliest heide zijn structuur en kan het overgaan in heischraal grasland. Lokale overbegrazing is niet te voorkomen, maar van belang is dat elders in het begrazingsgebied voldoende structuur aanwezig is. 

Heidevelden zijn hotspots binnen bosgebieden, vanwege de bijzondere flora en fauna. Veel van deze soorten zijn eigenlijk geen echte heidesoorten, maar soorten van bosranden en open plekken. Een heide waarin men bosopslag (tot op zekere hoogte) zijn gang laat gaan, is rijker dan een paarse "vvv-heide". Kleine struikjes en boompjes in de heide zijn van belang als uitzicht en schuilplek, microklimaat (beschutting), verbreding van het voedselaanbod, etc.

In het Kogelbergveen worden open plekken in het bos gemaakt door het omtrekken van bomen
Na het creëren van open plekken is de aanwezigheid van grote hoefdieren belangrijk om de bodemdynamiek te vergroten, waarna grassen en kruiden er kunnen kiemen. Bovendien treedt er selectie op tegen bomen en struiken, waardoor de plek langer open blijft.

De bossen op de zandgronden worden steeds ouder, waardoor de natuurwaarde toeneemt. Oude bomen zijn belangrijk omdat er door uitrotting en het werk van spechten holten in kunnen ontstaan. Daarvan profiteren tal van andere dieren. De bosbodem ontwikkelt zich ook steeds meer. Veel bosaanplanten hebben echter nog een monotone structuur met een onnatuurlijke samenstelling. Door bosomvorming kan de hoeveelheid staand en liggend dood hout worden vergroot. Daarbij worden open plekken gemaakt en bosrandvorming gestimuleerd. En passent wordt het aandeel naaldbomen verlaagd, omdat deze bijdragen aan verdroging (ze verdampen water ook in de winter). Resultaat van bosomvorming is dat bos en heide meer door elkaar heen lopen, waarbij de randlengte sterk toeneemt en daarmee de draagkracht en migratiemogelijkheden voor de flora en fauna sterkt toenemen.

Voorbeelden van uitgevoerde projecten zijn:
- beheer- en bosomvormingsplannen voor De Maashorst en Herperduin (i.s.m. Ecoplan Natuurontwikkeling)
- effecten inschatten op Veluwe in het kader van een voortoets Natuurbeschermingswet
- heidekartering Coendersborg (Groninger Landschap)
- Monitoring heideplagprojecten Friesland en Drenthe (i.s.m. Tonckens Ecologie)
- Endozoochorie op Dellebuursterheide (Fr) en in Hullenzand (Dr)



De kwaliteit van plantmateriaal (22-11-2011)

Plantmateriaal is voor het inrichten van een tuin of een terrein (bijna) altijd nodig.


Een appelboom van kwekerij Baggelhof

Planten kunnen gezaaid worden door middel van voorgekweekte zadenmengsels, door het uitrijden maaisel uit soortenrijke gebieden, met plaggen, etc. Ook kunnen planten direct aangeplant worden; dit geldt met name voor bomen en struiken.


Bij de keuze van plantmateriaal wordt er gelet op de genetische kwaliteit en eigenschappen. Bij voorkeur worden streekeigen varianten gebruikt. Op deze manier wordt bijgedragen aan behoud en versterking van de lokale genenpool (de genetische rijkdom van een bepaald gebied). Deze genetische variatie is o.a. belangrijk voor ziekteresistentie. De lokale variatie is over lange tijd ontstaan in samenhang met het lokale milieu. Met het inbrengen van streekvreemd materiaal wordt daarom vooral in natuurgebieden terughoudend omgegaan.


Met name wat betreft bomen en struiken is de Nederlandse natuur sterk verarmd. Halverwege de 19e eeuw waren er nauwelijks nog bomen aanwezig als gevolg van roofbouw. Ten behoeve van de mijnbouw en het tegengaan van verstuiving zijn op grote schaal bomenakkers beplant, die arm zijn aan soorten en waarschijnlijk ook aan genetische diversiteit. Als gevolg van de uitvinding van prikkeldraad werden heggen als veekering overbodig. Vooral soorten bosranden en struwelen zijn daarom zeldzaam in de natuur.


Er bestaan organisaties die zoveel mogelijk de oorspronkelijke genetische diversiteit verzamelen. Op oude groeiplekken verzamelt men materiaal om het te vermenigvuldigen. Wat betreft kruidachtige planten is de Cruydthoeck een voorbeeld. Over bomen en struiken geeft Bronnen informatie.

Een appelboom van kwekerij Baggelhof.


Ook in oude streekrassen wordt genetische variatie bewaard. Hoewel de variatie binnen een ras niet zo groot is, vormen de verschillende rassen samen een grote genenpool. Voor tuininrichting zijn wilde soorten niet altijd te gebruiken. Een voorbeeld is de appelboom. De Wilde appel is tweehuizig, zodat men tenminste een mannelijke en een vrouwelijke boom moet planten om appels te krijgen. Oude streekrassen zijn eenhuizige rassen die bovendien wat betreft opbrengst en smaak de voorkeur kunnen hebben. Kwekers die oude fruitrassen kweken zijn bijvoorbeeld te vinden via een pomologische vereniging (bijvoorbeeld de Noordelijke Pomologische Vereniging).



Bloemrijke hooilanden (30-05-2009)

Ontwikkelen van botanische soortenrijkdom


Vanuit de (Provinciale) Subsidieregeling Agrarisch Natuurbeheer (P)SAN is er een aantal beheerpakketten dat specifiek gericht is op de ontwikkeling en instandhouding van botanische waarden in het cultuurlandschap. Daarbij kan gedacht worden aan kruidenrijk grasland, bont hooiland en bonte hooiweide, waarin men het beheer voert in de vorm van maaien en afvoeren van het maaisel, eventueel in combinatie met nabeweiding.

In de avond gefotografeerd hooiland met o.a. Centaurea nigra, Galium palustre, Myosotis palustris, Thalictrum flavum, Lotus corniculatus, Ranunculus acris en Silaum silaus

Vroeger waren bloemrijke hooilanden heel gewoon. Vaak werden graslanden op afstand van de boerderij gebruikt als hooiland: made-, oever- en boezemlanden. Deze graslanden waren bloemrijk onder invloed van natuurlijke processen in combinatie met het constante gebruik als hooiland. Herstel van dergelijke graslanden is een zaak van lange adem. In Nederland is de natuurlijke waterhuishouding echter kapot en de bereidheid om op gebiedsniveau te komen tot herstel is klein.

Om te komen tot een bloemrijk hooiland vanuit een sterk bemest grasland, zal de productie omlaag moeten. Plantensoorten moeten zich steeds opnieuw kunnen vestigen. Wanneer de productie te hoog is, komt er weinig licht op de bodem en groeien open plekken snel dicht. Open plekken waar planten zich kunnen vestigen, ontstaan waar grazers lopen, hun mest deponeren, door activiteit van mollen en muizen, waar langdurig water stagneert, etc.

Dienst Regelingen controleert (P)SAN-pakketten door het aantal plantensoorten per 25m2-vak te tellen in hooilandpercelen. De actuele situatie kan wel eens minder beheersbaar zijn en het soortenaantal achterblijven bij het streefgetal, ondanks het gevoerde beheer. Wordt er voldoende meegewogen dat een dergelijk beheer ook positief uitwerkt op slootranden, oppervlaktewater en de wijdere omgeving?

Met het maaien verdwijnt de vegetatie, hetgeen voor de kleine fauna catastrofaal is. Gefaseerd maaien, waarbij 10 à 20 % van het gewas blijft staan, kan de gevolgen voor de kleine fauna sterk verbeteren, doordat de sterfte verlaagd wordt en gemaaide delen sneller geherkoloniseerd kunnen worden.