Eemshaven (13-09-2016)

Op opgespoten terreinen in de Eemshaven ontwikkelen zich vaak duinvegetaties.

In de afgelopen jaren zijn er  veel bedrijven gekomen die te maken hebben met energieproductie. De ontwikkeling van de terreinen leidde ertoe dat er soms natuurcompensatie moest plaatsvinden wegens de aanwezigheid van streng beschermde soorten als groenknolorchis en waterspitsmuis.

In december 2014 heb ik een opgespoten terrein geïnventariseerd in het kader van de natuurwetgeving. Dit is laat in het seizoen, maar omdat er niet gemaaid wordt, zijn (uitgebloeide) orchideeën  en andere belangwekkende soorten nog te vinden. De vegetatie bevatte veel soorten van de associatie van strandduizendguldenkruid en krielparnassia. In een dergelijke vegetatie kunnen na verloop van tijd orchideeën voorkomen. Er was twijfel of dit terrein vochtig genoeg zou zijn, maar het is bekend van de Eemshaven dat deze ontwikkeling op opgespoten terreinen vaak optreedt. Inmiddels groeit het terrein sterk dicht met bloemrijke vegetatie van wilde peen en teunisbloem. Duindoorn breidt zich er uit. Daarmee lijkt de ontwikkeling de “droge kant” op te gaan. Echter juist in de schaduw van duindoornstruweel kan het microklimaat weer vochtiger zijn. Een ontwikkeling om in de gaten te houden.



Vergeten stukje natuur (13-09-2016)

De zeedijk aan de noordzijde van Delfzijl gaat de komende jaren op de schop.

De belangrijkste reden is dat de dijk niet meer voldoende sterk is in verband met de aardbevingsproblematiek van Groningen. Het is te hopen dat de bijzondere waarden van deze dijk de ingreep doorstaan, maar vanzelfsprekend is dit niet.

[Foto zonering buitenzijde]

De dijk is een vergeten stukje natuur. Het grenst aan Natura2000-gebied en EHS-gebied de Waddenzee, maar valt zelf buiten de begrenzing. De granietbekleding stamt uit het begin van de 20e eeuw en de dijk vormt daarmee één van de oudste “rotskusten” van Nederland. Het is dé korstmossenhotspot van Nederland (BLWG 2006). De daaronder liggende getijdezone met algen en wieren vormt een uitzonderlijk vegetatietype dat voor zover bekend niet beschreven is van natuurlijke rotskusten (Breeman & Singelenberg 1982). Het water van de sloot aan de binnenkant van de dijk is waarschijnlijk brak, waarmee er een goede kans is op specifieke brakke macrofauna (Krebs et al. 1995).

In zijn huidige vorm ligt de dijk er tenminste 34 jaar (vanaf 1982). Gezien de waterkerende functie zal de grasmat nooit gescheurd zijn om opnieuw in te zaaien. Onder invloed van jarenlange schapenbegrazing is er een kamgrasweide ontstaan. Kamgrasweides kunnen een bijzondere paddenstoelenflora herbergen. 10 september 2015 heb ik de dijk ter hoogte van Nansum bezocht. Het was er toen rijk aan paddenstoelen met grote heksenkringen. Helaas is er geen volledige inventarisatie van paddenstoelen beschikbaar.

[Foto wasplaat]

 

Vogels

De schapen trekken allerlei ongewervelde dieren aan, met name door het omzetten van vegetatie in mest. De ongewervelde dieren zijn enerzijds mestgebonden, anderzijds wordt ook het bodemleven door continue bemesting gestimuleerd. Verder zorgen schapen door de begrazing voor de beschikbaarheid van dit voedsel doordat vogels in de korte vegetatie beter kunnen voortbewegen en het vegetatiedek het prikken in de bodem weinig verhindert. 

Daardoor is de dijk aantrekkelijk voor grote aantallen kauwtjes, spreeuwen, boerenzwaluwen, tapuiten, graspiepers, veldleeuweriken, witte en gele kwikstaarten om te foerageren. 9 september 2016 heb ik de dijk opnieuw bezocht en de 10 kilometer tussen Uitwierde en het begin van de Eemshaven op de fiets afgelegd. In totaal zag ik ca 65 zwarte kraaien (waarvan ca 40 in één groep), 29 gele kwikstaarten, 3 witte kwikstaarten, ca 50 spreeuwen, 3 tapuiten, 1 torenvalk,  8 graspiepers en ca 30 boerenzwaluwen (zeevogels zoals stormmeeuw buiten beschouwing gelaten); met als kanttekening dat fietsend slechts de schaduwzijde van de dijk zichtbaar was (zon in het oosten).

[ Foto contrast met omgeving]

Bij de gele kwikstaart viel op dat ze vaak tussen de schapen foerageerden. De tapuiten waren solitair en een verband met de aanwezige schapen was niet zichtbaar. Pas rond de middag zag ik boerenzwaluwen langs de dijk foerageren. Dat was ook het tijdstip waarop ik duidelijk insectenactiviteit waarnam. Terwijl eerder op de ochtend alleen wat heidelibellen vlogen, vlogen er nu zweefvliegen, koolwitjes, langpootmuggen, dansmuggen, etc. Waar het omliggende landschap arm is aan bloemen, bloeiden hier paardenbloem, biggenkruid en witte klaver als nectarbronnen. Kauwtjes (gaslocatie Uiteinde) en spreeuwen waren getalsmatig veel meer aanwezig op pas geoogste akkers. De piepjes van enkele gele kwikstaarten waren eveneens te horen vanaf een uienakker waar veel kale grond tussen de rijen en langs de akkerrand was.

Om zicht te krijgen op aantallen heb ik de Vogels in Groningen (Boekema 2016) geraadpleegd. Het mooie van dit boek zijn de grafieken waarin de doortrek wordt weergegeven. Tapuit en gele kwikstaart pieken in april-mei en vervolgens in augustus-september. Witte kwikstaart en graspieper pieken in maart-april en vervolgens in september-oktober. De veldleeuwerik piekt in februari-maart en oktober-november. Stuwing is hier het verschijnsel dat vogels die op de kustlijn stuiten, deze lijn gaan volgen. Op bepaalde plekken steken ze dan het water over, zoals bij de Punt van Reide ten zuiden van Delfzijl en bij de Eemshaven. Dit verschijnsel maakt dat er grote aantallen trekvogels langs de dijk kunnen voorkomen. Over de tapuit schrijft Boekema: In het kustgebied zitten zowel relatief als absoluut meer trekkers dan in het binnenland, met name in de nazomer, als de lage vegetatie op en rond de zeedijken een favoriet biotoop vormt. Over de gele kwikstaart schrijft Boekema: Buiten het broedseizoen zitten gele kwikken graag in vochtig, kort grasland, bij schapen op zeedijken en op akkers. Het relatieve belang van zeedijken voor sommige vogels is dus groot, omdat deze soorten er op trek niet alleen langs komen, maar ook omdat het biotoop klopt met hun voorkeuren. De soorten graspieper, veldleeuwerik, gele kwikstaart en tapuit zie ik dan ook als soorten die bij het waddengebied horen.

Ook kraaiachtigen, spreeuwen en boerenzwaluwen zijn soorten die je langs de waddendijk tegenkomt. Kamgrasweide was vroeger weid verbreid, maar is door de intensivering van de boerenbedrijven grotendeels verdwenen. Spreeuwen kunnen niet goed uit de voeten in hoge vegetatie. Daarnaast zou ook de alomtegenwoordigheid van bestrijdingsmiddelen in het agrarisch gebied debet zijn aan de achteruitgang van de spreeuw (Hallman 2014 in Boekema 2016).

Behalve voor trekvogels heeft de dijk ook betekenis voor broedvogels. Op de 3,5 km dijk tussen Nansum en Hoogwatum waren in 2013 tenminste 26 broedparen scholekster aanwezig (Z. Jager in Klous 2016,). Er wordt ook wel eens gebroed op de bunker bij Nansum (eigen waarneming 2 jonge scholeksters op 30 juni 1996), die overigens ook een broedplek is van de boerenzwaluw (Klous 2016) en mogelijk ook voor de bergeend. Ook zwarte kraai, ekster en torenvalk komen als broedvogel bij de dijk voor en mogelijk broeden ook witte kwikstaart, graspieper (Klous 2016) en kievit langs de dijk.

[Foto knopig doornzaad]

 

Vegetatie

De kamgrasweide wordt gerekend tot de bloemrijke graslanden. Deze nemen een middenpositie in tussen de zwaar bemeste, zeer voedselrijke cultuurgraslanden met in hoofdzaak Engels raaigras (Lolium perenne) en de graslanden van minder voedselrijke standplaatsen met een specifieke eigen flora. De bloemrijke graslanden zijn de graslanden van de matig voedselrijke tot voedselrijke bodems die goed vocht vasthouden of waar het grondwater nooit erg diep in de bodem wegzakt (OBN, www.natuurkennis.nl). De kamgrasweide is hier vrij soortenarm, maar het bloemrijke aspect is duidelijk meetbaar in het aandeel van kruiden (tot meer dan 50%) in de vegetatie.

[Foto microstructuur vegetatie]

De kamgrasweide is vooral goed ontwikkeld op de bovenzijde en de steile taluds, waar afspoeling en in geringe mate erosie plaatsvindt. Direct naast de onderhoudsweg groeit een vegetatie van Engels raaigras en ruw beemdgras. De schapen rusten vaak op het asfalt, waarbij er veel mest in deze zone terecht komt. Meer naar de voet van de dijk komen vegetaties met fioringras voor, aan de landzijde soms met moeraszoutgras en pinksterbloem.

[Foto dijkvoet]



Broedvogelmonitoring Marnewaard (31-12-2015)

Op de terreinen van defensie zijn vaak hoge natuurwaarden aanwezig.
In het voorjaar van 2011 t/m 2015 zijn de broedvogels van de schietbaan in de Marnewaard (Lauwersmeer, Groningen) in kaart gebracht in het kader van meerjarige monitoring. Het totale terrein bestond uit open graslanden, plassen en sloten en bos.

Uitzicht op de grasvlakte van de schietbaan

Op de graslanden zijn elk jaar weidevogels aanwezig, met name Kievit, maar ook Tureluur en Veldleeuwerik. In de lager gelegen terreindelen groeien plantensoorten van vochtige duinvalleien. Het is bijzonder dat weidevogels hier elk jaar weer proberen te broeden, aangezien er veel predatoren in de omgeving van de schietbaan aanwezig zijn, zoals vos en buizerd.

De aangeplante bossen zijn arm aan structuur. Er komen algemene vogelsoorten voor.

Omgevallen boom die opnieuw is uitgelopen
Jong aangeplant bos. Een omgevallen boom is opnieuw uitgelopen, maar ook deze nieuwe stammen groeien min of meer in het gelid.

De spontaan begroeide gebiedsdelen zijn rijk aan struwelen, afgewisseld met rietveldjes en wat hogere bomen. Deze verschillen komen tot uiting in de broedvogelbevolking. In de struwelen komen allerlei zeldzame soorten voor, waarmee het Lauwersmeergebied zijn waarde als natuurgebied bewijst.

De watergangen vormen het leefgebied van Kleine karekiet en Krakeend. Het water is er brak en stinkt vaak.

Met de BMP-methode meet je de resultante van het schieten, predatie en verminderde dekking door strikt maaibeheer, fluctuerende voedselbeschikbaarheid door weersomstandigheden en drainage. Voor een verdiepingsslag zou het nodig zijn om de individuele nesten op te sporen en te volgen en controlegebieden te monitoren.



Natuurbescherming buiten Natura2000 (29-06-2012)

Orchideeen in het Lauwersmeergebied

Een deel van het Lauwersmeergebied is aangewezen als Vogelrichtlijngebied (Natura2000), maar behalve vogels is het Lauwersmeergebied ook van groot belang voor planten en vegetatie. Hier ontwikkelt zich de begroeiing zonder dat er grote verstoring van  de bodem heeft plaatsgevonden. De natuurlijke bodemvariatie en -gradiënten zijn nog grotendeels intact: zoet en brak (zout), zand en klei, nat en droog, kalkrijk en kalkarm.

 

Op een aantal relatief zandige platen, zoals de Ballastplaat, de Rug en in de Marnewaard komen vegetaties voor van vochtige, kalkrijke duinvalleien. Deze vegetaties uit het Knopbiesverbond zijn van dusdanig belang, dat voor het overeenkomstige habitattype 2190 een behoudsdoelstelling is geformuleerd, aanvullend op de bescherming door de Vogelrichtlijn.

 

Vegetatie van vochtige, kalkrijke duinvalleien grenzend aan geklepelde dam

Vegetatie van vochtige, kalkrijke duinvalleien

 

Een groot deel van de kenmerkende soorten is aanwezig: Knopbies, Parnassia, Vleeskleurige orchis, Geelhartje, Bonte paardenstaart, Brede orchis, Moeraswespenorchis, Rondbladig wintergroen, Zilte zegge, Armbloemige waterbies, Honingorchis en Groenknolorchis.

Moeraswespenorchis

Moeraswespenorchis

 

 

Parnassia

Parnassia

 

In juni 2012 heeft er een inventarisatie plaatsgevonden van streng beschermde soorten uit de Flora- en faunawet, zoals orchideeën en Parnassia. Buiten het Natura2000-gebied zijn bijzondere vegetaties slechts beschermd voor zover er streng beschermde soorten in voorkomen.

 

Vleeskleurige orchis

Vleeskleurige orchis

 

 

Rietorchis

Rietorchis, algemeen voorkomend in het Lauwersmeergebied



Blauwe kiekendief (04-01-2012)

Blauwe kiekendief en begrazing gaan prima samen.
Volgens SOVON (Klaassen et al. 2006) is begrazing voor de Blauwe kiekendief een zeer negatieve beheervorm. De directe effecten zijn begrazing en vertrapping van struwelen waardoor de beschikbaarheid van nestplekken afneemt.  Indirect wordt het biotoop minder geschikt voor de prooidieren van de Blauwe kiekendief, waardoor het beschikbare voedsel afneemt.
 
Het onderzoek aan de Blauwe kiekendief wordt gedaan, omdat de populatie op de Nederlandse Wadden in een vrije val is geraakt. De beschuldigende vinger gaat naar de grote grazers die de afgelopen jaren in steeds meer gebieden zijn geïntroduceerd. Toch staat de achteruitgang van de Blauwe kiekendief los van begrazing. De achteruitgang is al langere tijd aan de gang. Begrazing kan wel negatieve effecten hebben, zoals hierboven beschreven. Men kan maatregelen nemen, zonder dat men daarmee de begrazing in de ban doet. Zo kan in veel begraasde gebieden de graasdruk wel omlaag.
 
De Groede, een begraasde kwelder op Terschelling
Door de extensieve zomerbegrazing op de Groede wordt de onderliggende abiotische heterogeniteit zichtbaar, waar zonder begrazing een eenvormige hoge vegetatie zou hebben gedomineerd.
 
Een voorbeeld zijn de begrazingsgebieden op Terschelling. De Groede (Boschplaat) is een gebied waar in de zomer traditioneel het jonvee van de Terschellinger boeren graast. Een gebruik dat al lang voor de achteruitgang van de Blauwe kiekendief bestond. De Landerumerheide is sinds 1986 in begrazing genomen met het oog op heideherstel. De piek van de kiekendiefpopulatie lag begin jaren '90. Dit begrazingsgebied is later uitgebreid, maar de Blauwe kiekendief kwam daar toen al niet (meer) voor. Het gebied bij Oosterend is nog maar recent in begrazing. Voorafgaand heeft men er de kruipwilg en duindoornstruwelen vernietigd. Het zijn hier niet de grazers die het biotoop vernietigd hebben, maar de lokale boeren. Een ander gebied bij West aan zee is pas recent in begrazing genomen.
 
In het onderzoek van SOVON mist de nuance dat prooidieren wel door de kiekendief gevangen moeten kunnen worden. In een vrij homogene, hoge vegetatie kan verwacht worden dat prooidieren nauwelijks te vangen zijn. Dit zou een van de oorzaken van de achteruitgang van de Blauwe kiekendief kunnen zijn. Juist door extensieve begrazing ontstaat er heterogeniteit. Het kan zijn dat begrazing vooral wordt ingezet in vergraste gebieden die voor de Blauwe kiekendief al nauwelijks waarde meer hadden, vanwege de slechte prooibeschikbaarheid. Dan is er een indirect verband tussen begrazing, namelijk dat beheerders pas bereid zijn om begrazing toe te laten als de vergrassing al in vergaande mate is voortgeschreden.



Onderzoek zeebodemfauna (28-02-2007)

De diversiteit van de Wadden- en Noordzeebodem in kaart gebracht.

Voor een ecologisch adviesbureau zijn sedimentmonsters uit de Eems uitgezocht op fauna. Het was onderdeel van een onderzoek in het kader van de vaargeulverdieping om de bereikbaarheid van de Eemshaven te vergroten. Het project duurde twee weken en werd onder leiding van een deskundige van het RIKZ uitgevoerd.

De sedimentmonsters bestonden uit zand, keileem en veenresten, die uitgespoeld werden. De gevonden fauna bestond o.a. uit borstelwormen, kreeftachtigen, weekdieren en zeeanemonen. Hierbij werden enkele nieuwe soorten gevonden. Het bijzondere van de Eems is, dat de staatsgrens er doorheen loopt. De precieze ligging ervan wordt door Nederland en Duitsland betwist. Hierdoor is het gebied de verwoestende werking van de schelpdiervisserij bespaard gebleven.



Overstromingsgraslanden Lauwersmeer (30-09-2004)

Verzoetende vegetaties in het Lauwersmeergebied

In de nazomer van 2004 heb ik overstromingsgraslanden en duinvalleivegetaties gekarteerd op de Ballastplaat en de Rug in het Lauwersmeergebied. De duinvalleivegetaties worden hier gekenmerkt door de aanwezigheid van knopbies, parnassia en zeegroene zegge. In de overstromingsgraslanden waren vaak nog soorten van brakke en zilte omstandigheden aanwezig, zoals aardbeiklaver en zilte zegge. Daarbinnen waren lager gelegen plekken aanwezig met kortarige zeekraal, gewoon kweldergras, melkkruid en zilte rus. Op de overgang naar kades lagen kamgrasvegetaties. Verder bestonden grote oppervlaktes uit kruipwilg- en duinrietvegetaties.

Op de zuidelijke platen en de Ezumakeeg zijn riet- en rietruigtevegetaties gekarteerd, alsmede  kamgrasweides en overstromingsgraslanden .