Op zoek naar de Patrijs (14-01-2013)

2013 is het Jaar van de Patrijs.

Althans, volgens de vogelonderzoeksorganisatie SOVON. In de provincie Groningen was 2010 ook al het Jaar van de Patrijs. Dat leverde toen interessante informatie op:

 

De Patrijs in de provincie Groningen (22-12-2011)

 

Avifauna Groningen heeft 2010 uitgeroepen tot het jaar van de Patrijs. Donderdag 11 februari 2010 was er in dit kader een lezing door Ben Koks. Koks is bekend geworden door zijn inzet voor de bescherming van de Grauwe kiekendief in Oost-Groningen. Hij weet boeren te enthousiasmeren om akkerranden te beheren als leefgebied voor de Grauwe kiekendief. Meer informatie over dit werk is te vinden op www.grauwekiekendief.nl.

 

 

 

In het kielzog van de Grauwe kiekendief profiteren allerlei andere akkervogels. De Patrijs profiteert bijvoorbeeld van akkerranden die na één of twee jaar zeer kruidenrijk zijn. Na vijf of zes jaar vergrassen de akkerranden en verdwijnt hij weer. Dit is typisch voor een akkersoort: het biotoop moet door het omwoelen van de bodem steeds weer vernieuwd worden.

 

 

De Patrijs is lastig om te zien. De lage dichtheid waarin de Patrijs tegenwoordig voorkomt, vormt een probleem bij het schatten volgens de gebruikelijke methode (BMP). Met het oog op het beter en efficiënter tellen van akkervogels is het Meetnet Agrarische Soorten (MAS) ingesteld. De huidige populatie van de Patrijs in Groningen bedraagt volgens SOVON 200 broedparen. Hieronder wordt de kansenkaart van SOVON voor de Patrijs weergegeven. Ben Koks verwacht vooraf dat het aantal patrijzen hoger is en de aandacht die er in 2010 is voor deze soort zal waarschijnlijk veel nieuwe feiten opleveren.

 

SOVON Kansenkaart Patrijs met waarnemingen Avifauna Groningen 2010

 

In totaal zijn in 2010 in de provincie Groningen 296 waarnemingen van de Patrijs gemeld via Avifauna Groningen. Duidelijk komt naar voren dat de Patrijs vooral ten oosten van Groningen en ten zuiden van het Eemskanaal voorkomt. Opvallend is de concentratie aan patrijzen in de Eemshaven. Hier komen naar schatting meer dan 20 broedparen voor, waarmee de locatie op de kansenkaart groen gekleurd zou moeten worden. Ook in Dollardpolders en op de klei van noordwest Groningen kan de kaart mogelijk verder worden ingekleurd.

 

Totaal kan het aantal broedparen op basis van de waarnemingen van 2010 geschat worden op 100. Avifauna zelf houdt het op een ondergrens van 40 à 50 broedparen en een bovengrens van 150 (Grauwe Gors 2012-1). Wat dat betreft lijkt de schatting van SOVON niet te laag. Kanttekening is dat in de Eemshaven veel naar vogels wordt gekeken, terwijl dat in grote delen van de provincie niet het geval is. Opvallend is dat in sommige gebieden Patrijzen alleen buiten de broedperiode zijn gezien. Nader onderzoek zou moeten uitwijzen wat hier de broeddichtheid is. Op basis van de winterwaarnemingen kan een hoger aantal broedparen worden geschat, maar ze geven voor alsnog geen aanleiding voor een hogere schatting dan die van SOVON.

 

Een globale vergelijking van waarneming.nl en de SOVON-kansenkaart toont ook voor andere provincies dat het globale beeld klopt. Het is te hopen dat de gegevens die men nu gaat verzamelen, voldoende zijn om uitspraken te doen over reproductie en overleving. Ondertussen kunnen we ook stappen zetten om het patrijzenbiotoop te verbeteren: kruiden, extensieve begrazing, kleinschaligheid en dekking - oftewel rommeligheid creëren. 

 



Aandacht voor bijen (21-02-2012)

2012   het Jaar van de Bij

De honingbij is een fascinerend dier. Zij leeft in grote sociale gemeenschappen en vormt volken die vaak meer dan 50.000 individuen tellen. Ondanks deze grote aantallen is het leven van zo’n volk geordend. De organisatie daarvan is uitgebreid bestudeerd. De rondedans die bijen in het nest maken is een vast onderdeel van de biologieles. Op deze wijze communiceren bijen onderling over plaatsen waar voedsel te vinden is. Bijen zijn essentieel voor het bestuiven van planten en gewassen.

Daarnaast kennen we in Nederland zo’n 200 soorten wilde bijen, die in meer of mindere mate solitair leven, waarvan ongeveer de helft in het voortbestaan wordt bedreigd. De wilde honingbij is in Nederland uitgestorven en waarschijnlijk in heel Europa.

De oorzaken van achteruitgang en uitsterven zijn divers. Er is minder voedsel voor bijen, doordat er veel minder bloemen zijn. Bij het voedsel zoeken staan bijen bloot aan bestrijdingsmiddelen. Hierdoor raken ze waarschijnlijk verzwakt en gedesoriënteerd. Daarbij is de sterftekans groter geworden door het oprukken van de Varroamijt, een mijt uit Azië. Tevens zijn er aanwijzingen dat bijen gevoelig zijn voor elektromagnetische straling.

Met het Jaar van de Bij en de website www.jaarvandebij.nl brengt een aantal organisaties de bij onder de aandacht. Met eenvoudige maatregelen kunnen particulieren en bedrijven hun omgeving voor bijen verbeteren.



Blauwe kiekendief (04-01-2012)

Blauwe kiekendief en begrazing gaan prima samen.
Volgens SOVON (Klaassen et al. 2006) is begrazing voor de Blauwe kiekendief een zeer negatieve beheervorm. De directe effecten zijn begrazing en vertrapping van struwelen waardoor de beschikbaarheid van nestplekken afneemt.  Indirect wordt het biotoop minder geschikt voor de prooidieren van de Blauwe kiekendief, waardoor het beschikbare voedsel afneemt.
 
Het onderzoek aan de Blauwe kiekendief wordt gedaan, omdat de populatie op de Nederlandse Wadden in een vrije val is geraakt. De beschuldigende vinger gaat naar de grote grazers die de afgelopen jaren in steeds meer gebieden zijn geïntroduceerd. Toch staat de achteruitgang van de Blauwe kiekendief los van begrazing. De achteruitgang is al langere tijd aan de gang. Begrazing kan wel negatieve effecten hebben, zoals hierboven beschreven. Men kan maatregelen nemen, zonder dat men daarmee de begrazing in de ban doet. Zo kan in veel begraasde gebieden de graasdruk wel omlaag.
 
De Groede, een begraasde kwelder op Terschelling
Door de extensieve zomerbegrazing op de Groede wordt de onderliggende abiotische heterogeniteit zichtbaar, waar zonder begrazing een eenvormige hoge vegetatie zou hebben gedomineerd.
 
Een voorbeeld zijn de begrazingsgebieden op Terschelling. De Groede (Boschplaat) is een gebied waar in de zomer traditioneel het jonvee van de Terschellinger boeren graast. Een gebruik dat al lang voor de achteruitgang van de Blauwe kiekendief bestond. De Landerumerheide is sinds 1986 in begrazing genomen met het oog op heideherstel. De piek van de kiekendiefpopulatie lag begin jaren '90. Dit begrazingsgebied is later uitgebreid, maar de Blauwe kiekendief kwam daar toen al niet (meer) voor. Het gebied bij Oosterend is nog maar recent in begrazing. Voorafgaand heeft men er de kruipwilg en duindoornstruwelen vernietigd. Het zijn hier niet de grazers die het biotoop vernietigd hebben, maar de lokale boeren. Een ander gebied bij West aan zee is pas recent in begrazing genomen.
 
In het onderzoek van SOVON mist de nuance dat prooidieren wel door de kiekendief gevangen moeten kunnen worden. In een vrij homogene, hoge vegetatie kan verwacht worden dat prooidieren nauwelijks te vangen zijn. Dit zou een van de oorzaken van de achteruitgang van de Blauwe kiekendief kunnen zijn. Juist door extensieve begrazing ontstaat er heterogeniteit. Het kan zijn dat begrazing vooral wordt ingezet in vergraste gebieden die voor de Blauwe kiekendief al nauwelijks waarde meer hadden, vanwege de slechte prooibeschikbaarheid. Dan is er een indirect verband tussen begrazing, namelijk dat beheerders pas bereid zijn om begrazing toe te laten als de vergrassing al in vergaande mate is voortgeschreden.



Dode dieren in de natuur (23-09-2009)

Dode dieren zijn een belangrijke drager van biodiversiteit.
Bijvoorbeeld op dood Wild zwijn zijn eens 12.000 soorten vliegen en 1.900 soorten kevers geteld, andere soortgroepen niet meegerekend. Rond een dood dier ontstaat een hele successie van soorten die zich al dan niet gespecialiseerd hebben in het opruimen van dode dieren. Sommige soorten zijn erin gespecialiseerd om het dode dier als eerste te vinden. Wie toevallig het eerste is, kan een grote invloed hebben op de verdere afbraak. Grote dieren, zoals Wild zwijn en Zeearend zijn nodig om de taaie huid open te scheuren, zodat andere soorten toegang krijgen. Wanneer deze soorten niet of te laat komen, gaat de afbraak veel trager.

De ongewervelde dieren vormen op hun beurt weer het voedsel voor allerlei andere dieren. En zelfs is aangetoond dat cicaden - planteneters - profiteren van een dood dier, doordat het gras eromheen sneller gaat groeien als gevolg van het uitlekken van voedingsstoffen naar de bodem. Kadavers vormen ook een bron van mineralen. Op de Veluwe is waargenomen dat runderen dode konijnen geheel opaten. Op deze arme gronden is mineralentekort een belangrijke omgevingsfactor.

In een groot deel van Europa worden kadavers van dieren opgeruimd, alleen de kleinere dieren zoals konijnen en vogels blijven liggen. Het is zelfs een wettelijke regel om ze op te ruimen. In Nederland sterven veel dieren als gevolg van het verkeer. Deze dieren worden dagelijks opgeruimd. Een paar keer, bij onderzoek in wegbermen, kun je een dode ree vinden (zie onder).

Ree in vergaande staat van ontbinding

Het laten liggen van dode dieren vergroot de kans op de verspreiding van dierziekten niet. De wettelijke regel is achterhaald. Natuurlijk kunnen dode dieren niet overal blijven liggen. Maar in de natuurgebieden zouden ze zeker bijdragen aan de varieteit en biodiversiteit. Waarschijnlijk worden de majestueze zeearenden dan blijvertjes in de Nederlandse natuur. En hoeven de spaanse gieren geen honger te lijden, maar kunnen ze hun leefgebied uitbreiden.

Bronnen:
Krawczynski, R. & H.G. Wagner (2008) Leben im Tod; Tierkadaver als Schlüsselelemente in Ökosystemen. Naturschutz und Landschaftsplanung 40 (9) 261-264.
Lardinois, R. (red) (2005) Dood doet leven; de natuur van dode dieren. KNNV-Uitgeverij Utrecht.



Amfibieën en bosomvorming (08-04-2008)

Amfibieën en bosomvorming

Op het Herperduin heeft bosomvorming plaatsgevonden. Voor werkzaamheden in het kader van bosbeheer geldt de Gedragscode Zorgvuldig Bosbeheer. Als gevolg van protesten is de bosomvorming stilgelegd. Na een jaar is besloten tot opruimen van liggende stammen om het publiek tegemoet te komen. De opruimwerkzaamheden vallen niet onder bosbeheer en daarom moet er nu ontheffing aangevraagd worden in verband met de aanwezigheid van de kamsalamander. Een situatie moeilijk te begrijpen is voor het publiek: "ze mogen wel ons bos slopen, maar nu ze dat ongedaan maken mag het niet vanwege de Flora en faunawet". Gelukkig was een fasering mogelijk, omdat de kamsalamander niet overal in het op te ruimen gebied voorkwam. De eerste fase van het opruimen is deze week waarschijnlijk klaar. De tweede fase waarvoor ontheffing nodig is, vindt naar verwachting in het najaar plaats.



Beheer gericht op amfibieën en reptielen (30-04-2007)

Met kleine ingrepen amfibieën en reptielen eenvoudig helpen


Vos Ecologisch Onderzoek werkt aan het beheer gericht op reptielen en amfibieen. Bij het beheer van gebieden wordt vaak onvoldoende rekening gehouden met reptielen en amfibieen. Zo pakten maatregelen gericht op de vegetatie vaak slecht uit voor deze diergroep. Met grootschalig plaggen verdween het leefgebied of door het ineens opzetten van de waterstand in de winter verdronken reptielen en amfibieen simpelweg. Wat geschikt leefgebied is voor deze diergroep is het vaak ook voor andere diergroepen. Dus liften andere diergroepen mee op maatregelen voor amfibieen en reptielen.



Vos Ecologisch Onderzoek heeft in april deelgenomen aan een cursus van RAVON over deze materie. In de zomer heeft Vos Ecologisch Onderzoek een aantal kansen en knelpunten geinventariseerdvoor amfibieën in het Westerkwartier (gebied) ten westen van Groningen.