Succesvolle natuurontwikkeling (05-07-2010)

Holmers-Halkenbroek, een brongebied van de Drentse Aa.

 

Aan de oost- en westzijde wordt het gebied begrensd door de boswachterijen Hooghalen en Grollo. Aan de zuidzijde ligt het gebied op de waterscheiding die Drenthe verdeeld in een noordwaarts afwaterend deel en een zuidwaarts afwaterend deel. Door de ligging is er geen vervuiling van landbouwwater. De bemeste toplaag is in de Holmers vrijwel geheel afgevoerd. Alle sloten en greppels zijn dichtgegooid, ook in de aangrenzende boswachterijen.

 

Het bijzondere is dat er op de waterscheiding sterke kwel optreedt van diep grondwater. Dit water voert zoveel ijzer mee, dat er grote hoeveelheden ijzeroer aanwezig zijn, die door het verwijderen van de toplaag aan de oppervlakte zijn gekomen. Hierdoor heeft het water meer het karakter van een middenloop dan van een klassieke bovenloop. Er heeft zich in zo'n 10 jaar tijd een vegetatie ontwikkeld die rijk is aan bijzondere soorten. Het gebied is een voorbeeld van kansrijke natuurontwikkeling, omdat de bodem en hydrologie goed zijn. Daarbij is de bijzondere omstandigheid van diep grondwater een belangrijke factor, waardoor het gebied continu nat is en een bijzondere waterkwaliteit aanwezig is.


Uitgestrekt brongebied, niet geperceleerd en niet gedraineerd

De vegetatie is niet of nauwelijks te karakteriseren binnen de bekende systematieken. Daarvoor zijn verschillende redenen aan te geven.
- de uitgangssituatie en de aanwezigheid van soorten;
- de nieuwheid: over 100 jaar lijkt het misschien meer op wat we kennen dan nu;
- de afwezigheid van maaibeheer dat bijvoorbeeld in dotterbloemhooilanden gebruikelijk is;


In essentie karakteriseert dit project een dynamische aanpak van natuurontwikkeling:
- de natuurlijke hydrologie wordt hersteld;
- bodemkwaliteit en -gradienten worden hersteld;
- maar er wordt niet gestreefd naar bepaalde doeltypen, waarvoor bijsturen altijd nodig is;
- dus geen maakbare natuur die gerealiseerd moet worden op korte termijn;
- het gebied zal zich blijven ontwikkelen, het duidelijkste is dat te zien in de ontwikkeling van bos;
- deze ontwikkeling kan sterk verschillen van wat wij denken, omdat de omstandigheden verschillen ten opzichte van vroeger en reconstructies van vroeger niet hoeven te kloppen.


De beheerder (SBB) kiest ervoor om niet in te grijpen, maar ook om begrazing door grote grazers buiten het gebied te houden. Volgens de excursieleider hebben wilde zwijnen het gebied al wel weten te bereiken. Als het edelhert komt, zal hij waarschijnlijk ook welkom zijn. De discussie over grote grazers gaat vooral over de wenselijkheid van (voormalige) landbouwhuisdieren als rund en paard. Deze kennen we niet (meer) als wilde dieren en zullen bewust ingebracht moeten worden. En dat is niet zo simpel als het spannen van het raster en inscharen van dieren.

Met dank aan Staatsbosbeheer en de Werkgemeenschap Landschapsecologisch Onderzoek.



Regeneratie van heide en schraallanden (25-06-2007)

Ontgronden verbetert kansen heide en schraallanden

Op vrijdag 22 juni 2007 was de promotie van René Verhagen aan de Rijksuniversiteit Groningen. Hij onderzocht de vegetatieontwikkeling na het afvoeren van de bovenlaag op voormalige akkers. In een achttal gebieden had ontgronding plaatsgevonden om de omstandigheden voor regeneratie van heide en schraallanden te verbeteren. Met het verwijderen van de bovenlaag verdwijnen stikstof en fosfaat.

De vegetatieontwikkeling wordt vooral bepaald door stochastische (= toevallige) processen. Als een plantensoort veel in de omgeving voorkomt, is de kans groter dat hij ook voorkomt in de ontgronde terreinen. Specifieke soortkenmerken spelen waarschijnlijk maar een beperkte rol. Wel lijkt het erop dat de ontstane  vegetaties na verloop stabiliseren en qua soortensamenstelling meer op elkaar gaan lijken.

Dispersie van plantenzaden door grote grazers
Peter Vos heeft in 2000 aan dit onderzoek bijgedragen door te kwantificeren hoeveel plantenzaden getransporteerd worden tussen de ontgronde terreinen en de omgeving daarvan. Voor verspreiders als wind en water was dat al onderzocht, maar niet voor grazers als schapen, runderen en paarden. Zijn onderzoek voerde hij uit op de Delleburen (Zuidoost Friesland) en het Hullenzand (Midden-Drenthe). In zijn onderzoek beperkte hij zich tot zaden die grazers met hun voedsel binnenkrijgen en die het darmkanaal overleven. Dat werd bepaald aan de zaden die na twee weken gekoeld te zijn kiemden in de mest onder kasomstandigheden. In de eerste maanden kiemden 100 tot duizend zaden per liter mest, maar ook later bleven zaden kiemen. De hoeveelheid zaden die runderen en paarden transporteren is enorm. Schapemest is armer aan levensvatbare plantenzaden. Het aantal zaden en de aanwezige soorten in de mest waren afhankelijk van het seizoen en de plaats waar de runderen gegraasd hadden.

Grazers hebben een voorkeur voor vegetaties op voedselrijke grond als voedselbron. Dat betekent dat soorten van eutrofe omstandigheden een voordeel hebben in de verspreiding ten opzichte van soorten van heide en schraallanden. Aangezien ook de plaats waar de mest van grazers terecht komt (tijdelijk) een plaats is met eutrofe omstandigheden, is het de zeer de vraag of de verspreiding met mest van betekenis kan zijn voor de regeneratie van heide en schraallanden.