Ontwikkeling heide op voormalige landbouwgronden (06-08-2015)

In de afgelopen twee zomers zijn vegetatieopnamen gemaakt in het Dwingelderveld op plekken waar recent de toplaag verwijderd is.

Op voormalige landbouwgronden blijkt de aanwezigheid van het zaad van de doelvegetaties vaak beperkt of niet aanwezig. Hierdoor kunnen deze gronden lang kaal blijven of uiteindelijk dichtgroeien met een niet gewenste vegetatie. In het Dwingelderveld is de oppervlakte ontgrond gebied gigantisch en aan de randen grenst het aan de beoogde vochtige heidevegetaties. Die uitgangssituatie is daarom gunstig. Daarnaast is er direct na het ontgronden plagsel uitgereden waarin de zaden van deze heidevegetaties aanwezig zijn.

[foto Dwingelderveld, zie http://www.vos-eo.nl/upload/Dwingelderveld/Dwingelderveld.JPG, bug wordt binnenkort opgelost]

De foto illustreert dat direct in begrazing nemen een belangrijke maatregel kan zijn om ongewenste ontwikkelingen tegen te gaan. Links van het raster wordt niet begraasd. In het vochtige zand slaat berk gemakkelijk op. Hoewel grazers niet zo graag berken eten, is het effect van begrazing aan de rechterkant duidelijk zichtbaar.



Vloeiweiden langs de Klaarbeek? (01-03-2014)

Veluwse beken

Ten zuiden van Epe ligt de Klaarbeek (Paalbeek). Je vindt daar een opgeleide beek, grote percelen zonder afwateringssloten en de loop van de oude beek die de status van afwateringssloot heeft. Knotbomen en andere oude bomen illustreren de ouderdom van dit cultuurlandschap. Tot voor kort graasden er paarden. Rond de bomen liggen struwelen die onder invloed van begrazing zo zijn gevormd. Het is een bijzonder gebied. De ligging van de oude beek tot de nieuwe beek deed de vraag rijzen of er misschien sprake is geweest van een vloeiweidesysteem.

De oostzijde van de Veluwe watert af naar de IJssel via een groot aantal kleine beekjes. Het bijzondere van deze beekjes is dat ze vrijwel allemaal een kunstmatig karakter hebben. De beekjes hebben een relatief groot verval, waardoor ze interessant waren om watermolens aan te drijven. Tot aan deze molens leidde men het water op: door middel van dijkjes kwam het water steeds hoger ten opzichte van de rest van het landschap, waardoor bij de molens een maximaal verval werd gerealiseerd. Om de wateraanvoer in de molenbeken te vergroten, werden waterrijke plekken aangeboord.

Waterwerken werden niet alleen gebruikt voor molens, maar ook voor het bevloeien van weiden (Baaijens et al. 2011). Op deze wijze werd land bemest en omdat het in de winter plaatsvond, werd ook vorstschade beperkt. Een opgeleide beek (een beek tussen dijkjes die hoger ligt dan het land) kan dus in gebruik zijn geweest voor een watermolen òf voor het bevloeien van land. In de meeste gevallen sluiten deze twee gebruiken elkaar uit, omdat de belangen van molenaars en boeren ten aanzien van waterbeheersing botsten. Op de Veluwe kwam de combinatie watermolen en bevloeiing in elk geval weinig voor (Renes et al. 2002).

Langs de Tongerensche Beek- Klaarbeek waren op zes plaatsen één of meer molens aanwezig. Wardenaar en Haartsen (2011) veronderstellen dat alleen ten noorden van Wissel (ten westen van Epe) mogelijk sprake is geweest van een vloeiweidesysteem. De naam Epe duidt op nat of aan het water gelegen land. Mogelijk is de naam Emst afgeleid van het woord beëmen - bevloeien. Voordat er molens waren, speelde bevloeiing mogelijk een grote rol.

De geschiedenis van de watermolens op de Veluwe begint in de 17e en 18e eeuw (Renes et al. 2002, Menke et al. 2007). Bevloeien is ouder (Middeleeuwen) en gaat in Nederland terug tot in de Romeinse tijd. De vroegst bekende vermelding van Epe dateert uit 1176, van het nabijgelegen Tongeren uit 1025 (www.ampt-epe.nl). Het is goed mogelijk dat de beken vanaf de Middeleeuwen gebruikt zijn voor bevloeiing, alsook voor ontwatering van venen (Willemse et al. 2008). Voor de Klaarbeek ten zuiden van Epe zal de geschiedenis niet meer te achterhalen zijn. Het gebied is sterk beïnvloed door de aanleg van een provinciale weg, ten zuiden daarvan heeft waarschijnlijk ruilverkaveling plaatsgevonden en het laatste stukje gaat nu op de schop, (waarbij de waterlopen ontzien worden).



Vogels in het landschap (23-01-2013)

Ontwikkeling van de broedvogeldiversiteit in de periode 1975 tot 2013
Van het gebied rond Altena en Lieveren zijn de broedvogelresultaten van 2012 vergeleken met gegevens uit Broedvogels van Drenthe (Van den Brink et al. 1996) en het inventarisatieverslag Het Bunnerveen (Venema 1982). De eerste publicatie beslaat de periode 1978-1993 (het hele onderzoeksgebied) en de tweede de periode 1975-1980 (alleen voor het Bunnerveen). Voor een groot aantal soorten kan geen vergelijking worden gemaakt, omdat ze in één van de perioden niet geïnventariseerd zijn.

Na 1993 hebben zich gevestigd Ooievaar, Canadese gans, Nijlgans, Groene specht, Roodborsttapuit, Boomklever en Putter. Soorten die er al waren, maar zijn toegenomen, zijn Kuifeend, Holenduif, Grote bonte specht, Boompieper (in elk geval in Bunnerveen) en Geelgors. Landelijke ontwikkelingen van deze soorten in combinatie met lokale landschappelijke ontwikkelingen kunnen de toename van de meeste soorten verklaren.

Wat betreft de soorten die afnemen, springt de groep van de weidevogels er opvallend sterk uit. Van voorheen talrijke vogels als Scholekster, Kievit, Grutto, Veldleeuwerik en Graspieper is zeer weinig over. Zomertaling, Slobeend, Watersnip, Wulp en Tureluur zijn (bijna) uitgestorven. Verder zijn soorten van het kleinschalige boslandschap als Grote lijster en Wielewaal sterk afgenomen. Opmerkelijk voor het Bunnerveen is verder dat Fazant en Kneu sterk zijn afgenomen. Mogelijk geldt dit voor het hele onderzoeksgebied. De afname van de Rietgors in het Bunnerveen zal te maken hebben met de verdroging en het dichtgroeien van het voormalige veen. Veranderd landgebruik en dalende grondwaterstanden kunnen de afname van de meeste soorten verklaren.

Nog steeds is het onderzoeksgebied rijk aan vogels. Over het geheel genomen laten de onderzochte soorten een afname zien in aantallen en diversiteit. Dit heeft te maken met het verdwijnen van landschappelijke diversiteit en intensivering van het landgebruik. Het succes van een aantal  vogelsoorten laat ook positieve kansen zien.  Vergroten van de landschappelijke diversiteit door het aanbieden van bestaansvoorwaarden kan voor andere soorten negatieve trends doorbreken. Door gerichte maatregel kan het landschap veel vogelrijker worden dan het nu is.



Vogeltellingen (21-01-2013)

Vogels van Altena en Lieveren (2012 en 2013)

 

Door jaarrond onderzoek kan men veel te weten komen over de vogels die in een gebied leven. Zo kan er voor een bepaald gebied een soortenlijst worden opgesteld. In het gebied van Altena en Lieveren zijn vanaf 2000 tenminste 130 soorten waargenomen, waarvan 33 soorten van de Rode Lijst.

 

In voorjaar en zomer kan vastgesteld worden welke vogelsoorten een gebied gebruiken om jongen groot te brengen. Eén van de methodes daarvoor is de zogenaamde BMP-methode (broedvogelmonitoringproject). Van de meeste soorten kan met behulp van de BMP-methode het gebruik als broedgebied worden vastgesteld. Sommige soorten leiden een verborgen bestaan, waardoor het lastig is om voldoende waarnemingen te verzamelen die aan de criteria voldoen. Sommige soorten broeden slechts af en toe in het gebied. In 2012 is het gebied geteld volgens de BMP-methode. In totaal zijn er tenminste 82 potentiële broedvogels, waarvan 22 van de Rode Lijst.

 

In het midden van de winter, als er weinig sprake is van trek, kan men een (mid)wintertelling uitvoeren. Daarbij worden de vogels geteld die hier alleen overwinteren en de soorten die het hele jaar aanwezig zijn. Half januari 2012 is het hele gebied geteld, waarbij 42 soorten werden waargenomen. Opvallend was dat wintergasten als Kramsvogel, Koperwiek, Keep en Sijs nagenoeg ontbraken. Een wintertelling is als éénmalige telling gevoelig voor afwijkingen. Zo werden begin februari 2012 met koud winterweer deze soorten juist weer meer waargenomen. Het gebied is arm aan watervogels, maar er zijn altijd bijzonderheden te verwachten in de Grote masloot en het Lieversediep.

 

Een bijzonder soort wintertelling is de tuinvogeltelling. De vogels die in tuinen voorkomen, worden gedurende een half uur geteld. De telling van 2013 levert in het postcodegebied van Altena (9321) de volgende top-10 (n=839) op: Vink, Huismus, Koolmees, Merel, Pimpelmees, Houtduif, Roodborst, Heggemus, Staartmees en Sijs. Wanneer het postcodegebied van Lieveren (9304) erbij zou worden opgeteld, wisselen Huismus en Vink van plek, maar het aantal waargenomen vogels in Lieveren is laag (n=85). Postcodegebied 9496 (Bunne) levert geen resultaten op.

 

Voor een compleet beeld zijn ook waarnemingen uit andere perioden nodig. Voorbeelden zijn watervogeltellingen, slaapplaatstellingen of losse waarnemingen (zonder onderzoeksprotocol).



Lieversediep (17-01-2013)

Een prachtig excursiegebied is het gebied rond het Lieversediep.
Deze beek is deels gespaard gebleven voor de kanalisatie, waardoor de beek nog door het landschap meandert. Waar het meanderende deel aansluit op de gekanaliseerde delen, zijn vistrappen aangelegd, zodat vissen door de beek kunnen trekken. De beek overbrugt hier een groot hoogteverschil. Het reliëf is duidelijk herkenbaar in het landschap.

Uitizcht over het dal van het Lieverse diep
Een afwisselende wandeling met bos, heide en beekdalgraslanden is mogelijk rond het Lieverse diep nabij Roden.

Aan de westzijde ligt het voormalig landgoed Mensinge, met bos en heide. Aan de oostzijde ligt het oude esdorpje Lieveren, met het Lieverder Noordbos, houtwallen, akkerbouw en veeteelt. Bij elkaar levert dit een zeer gevarieerd beeld op. Tegen de achtergrond van dit landschap kan het verhaal worden verteld van natuur en cultuurhistorie en afhankelijk van het seizoen krijgen vogels, bloemen, etc meer of minder aandacht.

's Winters is de streek rond Lieveren wat rijker aan vogels dan de omliggende verveende gebieden. De bossen en houtwallen met Hulst trekken kramsvogels, koperwieken, vinkachtigen waaronder de goudvink, geelgorzen, ringmussen, etc. In de winter kan ook de Klapekster worden gezien.
De vistrappen zijn plaatsen waar in de afgelopen jaren de IJsvogel regelmatig werd gezien. Vanwege de laatste strenge winters is de kans daarop helaas nu erg klein. Het Mensingebos en het Lieverder Noordbos zijn de woonplaats van verschillende bosuilen. In de zomer kan je genieten van de vele zingende vogels.

Mensinge en de beekdalgraslanden langs het Lieversediep zijn rijk aan bijzondere flora. Zo staat het beekdal bekend om de Adderwortel. De (overbegraasde) heide is rijk aan soorten die hier voorkomen vanwege de dagzomende leem/potklei. Maar Mensinge is ook interessant door de aanwezigheid van reptielen en bijzondere kikkers en de variatie aan insecten.



Zilt of zoel (20-09-2012)

Toponiemen en historische geografie

Zult(h)e was een buurtschapje nabij Roden. Het is door Roden opgeslokt, maar komt nog voor in de naam van een weg en in streeknamen als Zult(h)eres en Zult(h)ermeer. Op oude kaarten staat ook nog Zulthernijland.

Zulthe is een oude plaatsnaam, net als Rothe (Roden, bos rooien). Een zoekopdracht in een Oudnederlands woordenboek zet mij op het spoor van de plaats en gemeente Zulte in Oost-Vlaanderen. Zowel woordenboek als website gemeente verwijzen naar het Germaanse woord Sulitja, Sula of Sulta dat modder(poel) of modderig gebied betekent. In het hedendaagse Nederlands hebben we nog de woorden zoel en zoelen: varkens nemen een modderbad in een zoel, ze zoelen. De omgeving van Roden staat bekend om de potklei die er dagzoomt. Dit laat het water slecht door, waardoor het er modderig is.

Een verklaring die soms gebruikt wordt, is dat zult duidt op zout, zilt of brak water. Het Leekstermeer, dat ook wel Zulthermeer heet, zou dan zo heten, vanwege zout of brak water. Hoewel de zee lange tijd invloed heeft gehad op het Leekstermeer, is dit erg onwaarschijnlijk. De streek die aangeduid wordt met Zulthe ligt voor het grootste deel buiten de invloed van de zee (tot 4 m boven NAP). De toevloed van zoet water vanuit hoger gelegen gebieden was waarschijnlijk zo groot dat het water in het meer niet brakker geweest kan zijn dan andere wateren die in open verbinding met de zee stonden, niet anders bijvoorbeeld dan het Zuidlaardermeer.

 



Hondsrug (02-01-2012)

De Hondsrug heeft een hoge natuurwaarde, niet alleen lokaal maar ook regionaal.
De stuwwal loopt vanaf Emmen tot aan de Grote markt in Groningen. De lopers van de 4 mijl van Haren naar Groningen merken dat ze vlak voor de finish nog moeten stijgen in de Herestraat. Het hoogste punt van Drenthe ligt bij Emmen op de Hondsrug. Water dat vanaf de stuwwal zowel over als onder grond afstroomt, voedt de beekdalen van de Hunze in het noordoosten en de Drentse Aa in het zuidwesten. Deze waterbewegingen geven de beken hun hoge natuurwaarden.

De Hondsrug bij Annen
De Hondsrug bij Annen. Hier is in 2011 een ecologische quickscan uitgevoerd in het kader van de sloop en nieuwbouw van een woning.

In 2011 en 2012 werken Tonckens Ecologie en Vos Ecologisch Onderzoek samen voor het Comite Regio Groningen-Haren om de natuurwaarden van het gebied tussen Groningen en Haren (het "Tussengebied") in kaart te brengen. Dit gebied heeft een groen karakter met veel oorspronkelijke natuurlijke en cultuurhistorische elementen. Deze zijn opgenomen in de huidige landschappelijke structuur, met allerlei instituten, sportvelden, etc. Tien jaar geleden dreigde er de aanleg van een snelweg dwars door het gebied, die met succes is bestreden. Tegenwoordig is woningbouw de belangrijkste bedreiging. Allerlei functies verdwijnen, zoals het Biologisch Centrum van de RUG, sportvelden, etc. Hierdoor komen gronden beschikbaar voor projectontwikkelaars. Hoewel er landschappelijke plannen liggen die de unieke waarden van het gebied moeten beschermen door randvoorwaarden te stellen, blijken in de praktijk vooral aantallen woningen te tellen. Hierdoor dreigt het Tussengebied zijn groene karakter te verliezen. Met de inventarisatie wil het Comite de natuurlijke waarden van het gebied opnieuw onder de aandacht brengen van de gemeente, bewoners en gebruikers van het gebied, om de toekomst ervan veilig te stellen.


De Bosaardbei, een soort van de Rode Lijst. Deze is in 2011 bij een ecologische quickscan aangetroffen in het openbaar groen van Zuidlaren. Het is een soort die thuishoort op de Hondsrug, maar die op deze plaats door uitplanten terecht zou kunnen zijn gekomen.

De Hondsrug is ook een belangrijk gebied voor bijzondere amfibieen en reptielen. De Kamsalamander en de Knoflookpad komen op de zuidelijke Hondsrug voor. De Hazelworm en de Zandhagedis komen verspreid op de Hondsrug voor (WARD 2010). De provinciale weg N34 versnippert verschillende (potentiele) leefgebieden. Onder deze weg liggen faunatunnels, maar voor reptielen en amfibieen zijn ze weinig geschikt. 



Altena (01-11-2010)

Het bureau is gevestigd in Altena. Dit is een buurtschap tussen Peize en Roden, in de kop van Drenthe.

Altena is ontstaan vanaf de tweede helft van de 19e eeuw, door ontginning van de venen vanaf Peize. Voor de naam is geen andere verklaring te vinden dan "al te na" (te dichtbij). De aanwezigheid van een ander buurtschapje in de omgeving met de naam Alteveer ("al te ver") duidt hier ook op. Het gebruik van Altena als toponiem (veldnaam) is niet uniek. Het komt zowel in Nederland als België en Duitsland (Altona) vaker voor. Op de plaats van Altena lagen vroeger de Altenasche bossen. Ook deze naam gaat niet ver terug. In de Franse tijd werden deze bossen aangeduid met Peiser Bosch. Tegenwoordig staat het bekend onder de naam Tolner(s)bos(ch) (afgeleid van "'t Altenasche bosch").

Altena ligt op de grens van twee landschappen. In het noorden ligt het Klunderveen, dat al vóór 1800 ontgonnen is. In het zuiden ligt het Bunnerveen, dat later ontgonnen is - een groot deel pas na de Tweede Wereldoorlog. Er ligt onder dezelfde naam nog een restant van 50 ha sterk verdroogd hoogveen. In het zuidwesten ligt het dorpje Lieveren dat veel ouder is dan Altena. Daar lag het Lieverderbos, waarvan nu nog restanten over zijn, zoals het Lieverder Noordbos. Ten westen van Lieveren en Altena ligt een beek, Lieversediep en Peizerdiep genoemd. Deze beek is de grens met Roden.

Het beeksysteem van het Peizerdiep is vroeger, in samenhang met de uitgestrekte venen, een belangrijke natuurlijke barrière geweest.  Het landgoed Mensinge had daarom een belangrijke strategische waarde. De Mensingeweg tussen Lieveren Roden werd door Mensinge gecontroleerd. Deze weg maakt deel uit van de route westelijk om het Leekstermeer naar de Groninger ommelanden. De geschiedenis van de Roden, hoewel Drents, is onlosmakelijk verbonden met de activiteiten van Groninger monniken en adel.



Succesvolle natuurontwikkeling (05-07-2010)

Holmers-Halkenbroek, een brongebied van de Drentse Aa.

 

Aan de oost- en westzijde wordt het gebied begrensd door de boswachterijen Hooghalen en Grollo. Aan de zuidzijde ligt het gebied op de waterscheiding die Drenthe verdeeld in een noordwaarts afwaterend deel en een zuidwaarts afwaterend deel. Door de ligging is er geen vervuiling van landbouwwater. De bemeste toplaag is in de Holmers vrijwel geheel afgevoerd. Alle sloten en greppels zijn dichtgegooid, ook in de aangrenzende boswachterijen.

 

Het bijzondere is dat er op de waterscheiding sterke kwel optreedt van diep grondwater. Dit water voert zoveel ijzer mee, dat er grote hoeveelheden ijzeroer aanwezig zijn, die door het verwijderen van de toplaag aan de oppervlakte zijn gekomen. Hierdoor heeft het water meer het karakter van een middenloop dan van een klassieke bovenloop. Er heeft zich in zo'n 10 jaar tijd een vegetatie ontwikkeld die rijk is aan bijzondere soorten. Het gebied is een voorbeeld van kansrijke natuurontwikkeling, omdat de bodem en hydrologie goed zijn. Daarbij is de bijzondere omstandigheid van diep grondwater een belangrijke factor, waardoor het gebied continu nat is en een bijzondere waterkwaliteit aanwezig is.


Uitgestrekt brongebied, niet geperceleerd en niet gedraineerd

De vegetatie is niet of nauwelijks te karakteriseren binnen de bekende systematieken. Daarvoor zijn verschillende redenen aan te geven.
- de uitgangssituatie en de aanwezigheid van soorten;
- de nieuwheid: over 100 jaar lijkt het misschien meer op wat we kennen dan nu;
- de afwezigheid van maaibeheer dat bijvoorbeeld in dotterbloemhooilanden gebruikelijk is;


In essentie karakteriseert dit project een dynamische aanpak van natuurontwikkeling:
- de natuurlijke hydrologie wordt hersteld;
- bodemkwaliteit en -gradienten worden hersteld;
- maar er wordt niet gestreefd naar bepaalde doeltypen, waarvoor bijsturen altijd nodig is;
- dus geen maakbare natuur die gerealiseerd moet worden op korte termijn;
- het gebied zal zich blijven ontwikkelen, het duidelijkste is dat te zien in de ontwikkeling van bos;
- deze ontwikkeling kan sterk verschillen van wat wij denken, omdat de omstandigheden verschillen ten opzichte van vroeger en reconstructies van vroeger niet hoeven te kloppen.


De beheerder (SBB) kiest ervoor om niet in te grijpen, maar ook om begrazing door grote grazers buiten het gebied te houden. Volgens de excursieleider hebben wilde zwijnen het gebied al wel weten te bereiken. Als het edelhert komt, zal hij waarschijnlijk ook welkom zijn. De discussie over grote grazers gaat vooral over de wenselijkheid van (voormalige) landbouwhuisdieren als rund en paard. Deze kennen we niet (meer) als wilde dieren en zullen bewust ingebracht moeten worden. En dat is niet zo simpel als het spannen van het raster en inscharen van dieren.

Met dank aan Staatsbosbeheer en de Werkgemeenschap Landschapsecologisch Onderzoek.



De Noordelijke Friese Wouden (04-01-2010)

Natuurwaarden in kleinschalig, besloten landschap.
In de Noordelijke Friese wouden zijn ecologische quickscans uitgevoerd in Broeksterwoude, Drachtstercompagnie, Drogeham, Harkema, Houtigehage, Kootstertille en Surhuizum.

De Noordelijke Friese wouden zijn een uitloper van het Drents Plateau ten noorden van de A7 Groningen-Drachten. Dit is een voormalig hoogveenlandschap dat naar de randen overging in laagvenen en moerassen. De strokenverkaveling die op veel plaatsen nog aanwezig is, verraadt nog de vroegere aanwezigheid van het veen. Na de ontginning van de hoogvenen, veranderden grote gebieden in heide. De bewoners leidden er een hard bestaan, wat terug te zien is in de kleine boerderijtjes. Door bodemaanpassing en aanvoer van kunstmest is de situatie voor de landbouw in de 20e eeuw sterk verbeterd.

Karakteristiek boerderijtje in de Noordelijke Friese Wouden
Voor veel boerderijtjes rest niets anders dan sloop. Op dit soort plaatsen kunnen vleermuizen, vogels en marterachtigen verwacht worden. 

Bijzondere natuurwaarden zijn er met name door de grote dichtheid van landschapselementen, zoals elzensingels en poelen. Deze bieden plek aan veel planten en diersoorten. In de laagten en aan de randen van het woudengebied treedt grondwater uit en komen bijzondere natuurwaarden voor die samenhangen met kwel.

Met name op het gebied van waterhuishouding liggen er kansen. Nu is het zo dat er in de zomer veel sloten droogvallen. Het water stroomt voornamelijk in de winter, als het neerslagoverschot groot is en bij zware regenval. De sloten en greppels zijn vrij eentonig en slibben dicht door bladval, waarna ze weer open gegraven worden. Wat betreft waterplanten en waterdieren hebben deze sloten en greppels weinig waarde. Nieuwe, meer continue stroming, kan een forse impuls geven aan de natuurwaarden van het woudengebied. De Friese wouden zouden weer een waterrijk gebied moeten worden. Nodig is, dat het overgedimensioneerde systeem van sloten en greppels wordt aangepast. Hierdoor kan in natte perioden water worden vastgehouden, dat in drogere perioden vertraagd vrijkomt.

De Noordelijke Friese Wouden zijn een nationaal landschap. Men ziet de verkaveling als één van de kernkwaliteiten. Het systeem van greppels dat vroeger nodig was om het gebied leefbaar te maken, draagt nu bij aan de droogte in het gebied. Door het staken van onderhoud en door op strategische plaatsen de greppels ondieper te maken, kan de cultuurhistorische structuur zichtbaar blijven, terwijl ook de natuurlijke toestand sterk kan verbeteren.



Regeneratie van heide en schraallanden (25-06-2007)

Ontgronden verbetert kansen heide en schraallanden

Op vrijdag 22 juni 2007 was de promotie van René Verhagen aan de Rijksuniversiteit Groningen. Hij onderzocht de vegetatieontwikkeling na het afvoeren van de bovenlaag op voormalige akkers. In een achttal gebieden had ontgronding plaatsgevonden om de omstandigheden voor regeneratie van heide en schraallanden te verbeteren. Met het verwijderen van de bovenlaag verdwijnen stikstof en fosfaat.

De vegetatieontwikkeling wordt vooral bepaald door stochastische (= toevallige) processen. Als een plantensoort veel in de omgeving voorkomt, is de kans groter dat hij ook voorkomt in de ontgronde terreinen. Specifieke soortkenmerken spelen waarschijnlijk maar een beperkte rol. Wel lijkt het erop dat de ontstane  vegetaties na verloop stabiliseren en qua soortensamenstelling meer op elkaar gaan lijken.

Dispersie van plantenzaden door grote grazers
Peter Vos heeft in 2000 aan dit onderzoek bijgedragen door te kwantificeren hoeveel plantenzaden getransporteerd worden tussen de ontgronde terreinen en de omgeving daarvan. Voor verspreiders als wind en water was dat al onderzocht, maar niet voor grazers als schapen, runderen en paarden. Zijn onderzoek voerde hij uit op de Delleburen (Zuidoost Friesland) en het Hullenzand (Midden-Drenthe). In zijn onderzoek beperkte hij zich tot zaden die grazers met hun voedsel binnenkrijgen en die het darmkanaal overleven. Dat werd bepaald aan de zaden die na twee weken gekoeld te zijn kiemden in de mest onder kasomstandigheden. In de eerste maanden kiemden 100 tot duizend zaden per liter mest, maar ook later bleven zaden kiemen. De hoeveelheid zaden die runderen en paarden transporteren is enorm. Schapemest is armer aan levensvatbare plantenzaden. Het aantal zaden en de aanwezige soorten in de mest waren afhankelijk van het seizoen en de plaats waar de runderen gegraasd hadden.

Grazers hebben een voorkeur voor vegetaties op voedselrijke grond als voedselbron. Dat betekent dat soorten van eutrofe omstandigheden een voordeel hebben in de verspreiding ten opzichte van soorten van heide en schraallanden. Aangezien ook de plaats waar de mest van grazers terecht komt (tijdelijk) een plaats is met eutrofe omstandigheden, is het de zeer de vraag of de verspreiding met mest van betekenis kan zijn voor de regeneratie van heide en schraallanden.