Vloeiweiden langs de Klaarbeek? (01-03-2014)

Veluwse beken

Ten zuiden van Epe ligt de Klaarbeek (Paalbeek). Je vindt daar een opgeleide beek, grote percelen zonder afwateringssloten en de loop van de oude beek die de status van afwateringssloot heeft. Knotbomen en andere oude bomen illustreren de ouderdom van dit cultuurlandschap. Tot voor kort graasden er paarden. Rond de bomen liggen struwelen die onder invloed van begrazing zo zijn gevormd. Het is een bijzonder gebied. De ligging van de oude beek tot de nieuwe beek deed de vraag rijzen of er misschien sprake is geweest van een vloeiweidesysteem.

De oostzijde van de Veluwe watert af naar de IJssel via een groot aantal kleine beekjes. Het bijzondere van deze beekjes is dat ze vrijwel allemaal een kunstmatig karakter hebben. De beekjes hebben een relatief groot verval, waardoor ze interessant waren om watermolens aan te drijven. Tot aan deze molens leidde men het water op: door middel van dijkjes kwam het water steeds hoger ten opzichte van de rest van het landschap, waardoor bij de molens een maximaal verval werd gerealiseerd. Om de wateraanvoer in de molenbeken te vergroten, werden waterrijke plekken aangeboord.

Waterwerken werden niet alleen gebruikt voor molens, maar ook voor het bevloeien van weiden (Baaijens et al. 2011). Op deze wijze werd land bemest en omdat het in de winter plaatsvond, werd ook vorstschade beperkt. Een opgeleide beek (een beek tussen dijkjes die hoger ligt dan het land) kan dus in gebruik zijn geweest voor een watermolen òf voor het bevloeien van land. In de meeste gevallen sluiten deze twee gebruiken elkaar uit, omdat de belangen van molenaars en boeren ten aanzien van waterbeheersing botsten. Op de Veluwe kwam de combinatie watermolen en bevloeiing in elk geval weinig voor (Renes et al. 2002).

Langs de Tongerensche Beek- Klaarbeek waren op zes plaatsen één of meer molens aanwezig. Wardenaar en Haartsen (2011) veronderstellen dat alleen ten noorden van Wissel (ten westen van Epe) mogelijk sprake is geweest van een vloeiweidesysteem. De naam Epe duidt op nat of aan het water gelegen land. Mogelijk is de naam Emst afgeleid van het woord beëmen - bevloeien. Voordat er molens waren, speelde bevloeiing mogelijk een grote rol.

De geschiedenis van de watermolens op de Veluwe begint in de 17e en 18e eeuw (Renes et al. 2002, Menke et al. 2007). Bevloeien is ouder (Middeleeuwen) en gaat in Nederland terug tot in de Romeinse tijd. De vroegst bekende vermelding van Epe dateert uit 1176, van het nabijgelegen Tongeren uit 1025 (www.ampt-epe.nl). Het is goed mogelijk dat de beken vanaf de Middeleeuwen gebruikt zijn voor bevloeiing, alsook voor ontwatering van venen (Willemse et al. 2008). Voor de Klaarbeek ten zuiden van Epe zal de geschiedenis niet meer te achterhalen zijn. Het gebied is sterk beïnvloed door de aanleg van een provinciale weg, ten zuiden daarvan heeft waarschijnlijk ruilverkaveling plaatsgevonden en het laatste stukje gaat nu op de schop, (waarbij de waterlopen ontzien worden).



Vogels in het landschap (23-01-2013)

Ontwikkeling van de broedvogeldiversiteit in de periode 1975 tot 2013
Van het gebied rond Altena en Lieveren zijn de broedvogelresultaten van 2012 vergeleken met gegevens uit Broedvogels van Drenthe (Van den Brink et al. 1996) en het inventarisatieverslag Het Bunnerveen (Venema 1982). De eerste publicatie beslaat de periode 1978-1993 (het hele onderzoeksgebied) en de tweede de periode 1975-1980 (alleen voor het Bunnerveen). Voor een groot aantal soorten kan geen vergelijking worden gemaakt, omdat ze in één van de perioden niet geïnventariseerd zijn.

Na 1993 hebben zich gevestigd Ooievaar, Canadese gans, Nijlgans, Groene specht, Roodborsttapuit, Boomklever en Putter. Soorten die er al waren, maar zijn toegenomen, zijn Kuifeend, Holenduif, Grote bonte specht, Boompieper (in elk geval in Bunnerveen) en Geelgors. Landelijke ontwikkelingen van deze soorten in combinatie met lokale landschappelijke ontwikkelingen kunnen de toename van de meeste soorten verklaren.

Wat betreft de soorten die afnemen, springt de groep van de weidevogels er opvallend sterk uit. Van voorheen talrijke vogels als Scholekster, Kievit, Grutto, Veldleeuwerik en Graspieper is zeer weinig over. Zomertaling, Slobeend, Watersnip, Wulp en Tureluur zijn (bijna) uitgestorven. Verder zijn soorten van het kleinschalige boslandschap als Grote lijster en Wielewaal sterk afgenomen. Opmerkelijk voor het Bunnerveen is verder dat Fazant en Kneu sterk zijn afgenomen. Mogelijk geldt dit voor het hele onderzoeksgebied. De afname van de Rietgors in het Bunnerveen zal te maken hebben met de verdroging en het dichtgroeien van het voormalige veen. Veranderd landgebruik en dalende grondwaterstanden kunnen de afname van de meeste soorten verklaren.

Nog steeds is het onderzoeksgebied rijk aan vogels. Over het geheel genomen laten de onderzochte soorten een afname zien in aantallen en diversiteit. Dit heeft te maken met het verdwijnen van landschappelijke diversiteit en intensivering van het landgebruik. Het succes van een aantal  vogelsoorten laat ook positieve kansen zien.  Vergroten van de landschappelijke diversiteit door het aanbieden van bestaansvoorwaarden kan voor andere soorten negatieve trends doorbreken. Door gerichte maatregel kan het landschap veel vogelrijker worden dan het nu is.



Zilt of zoel (20-09-2012)

Toponiemen en historische geografie

Zult(h)e was een buurtschapje nabij Roden. Het is door Roden opgeslokt, maar komt nog voor in de naam van een weg en in streeknamen als Zult(h)eres en Zult(h)ermeer. Op oude kaarten staat ook nog Zulthernijland.

Zulthe is een oude plaatsnaam, net als Rothe (Roden, bos rooien). Een zoekopdracht in een Oudnederlands woordenboek zet mij op het spoor van de plaats en gemeente Zulte in Oost-Vlaanderen. Zowel woordenboek als website gemeente verwijzen naar het Germaanse woord Sulitja, Sula of Sulta dat modder(poel) of modderig gebied betekent. In het hedendaagse Nederlands hebben we nog de woorden zoel en zoelen: varkens nemen een modderbad in een zoel, ze zoelen. De omgeving van Roden staat bekend om de potklei die er dagzoomt. Dit laat het water slecht door, waardoor het er modderig is.

Een verklaring die soms gebruikt wordt, is dat zult duidt op zout, zilt of brak water. Het Leekstermeer, dat ook wel Zulthermeer heet, zou dan zo heten, vanwege zout of brak water. Hoewel de zee lange tijd invloed heeft gehad op het Leekstermeer, is dit erg onwaarschijnlijk. De streek die aangeduid wordt met Zulthe ligt voor het grootste deel buiten de invloed van de zee (tot 4 m boven NAP). De toevloed van zoet water vanuit hoger gelegen gebieden was waarschijnlijk zo groot dat het water in het meer niet brakker geweest kan zijn dan andere wateren die in open verbinding met de zee stonden, niet anders bijvoorbeeld dan het Zuidlaardermeer.